Slikken

Derde Hoofdstuk

vanaf 1954 – 10 jaar

De Leidsche buitenschool ligt in de duinen van Katwijk aan zee. Frisse zeelucht. Een plaats om aan te sterken met levertraan en hoogtezon. De meeste kinderen wonen in Leiden. Vijf dagen in de week in de blauwe tram.
Bij aankomst eten we een belegde boterham. ’s Middags met z’n allen buiten rusten op bedden onder een wollen deken. De lessen zijn ook zoveel mogelijk buiten, onder dennenbomen. Heerlijk, die geur.

Joop en Wim in de tuin

Op de eerste ochtend moet ik ineens nodig poepen. Vanaf de gang ga ik een wc in en zie een kleine witte pot aan de muur hangen. De forse drol wil bij het spoelen niet verdwijnen ,ik zie alleen kleine gaatjes. Even later komt een vrouw de klas in die luid tegen de meester begint te praten. Iets ligt in een urinoir. Waarschijnlijk van een nieuwe. Gelukkig blijft het daarbij. Een kleur krijg ik wel.
Na de bel van twaalf uur moeten we warm eten in een zaal met lange tafels.
Op de eerste dag zijn dat gekookte bietjes. Ik wil niet eten maar ben bang voor de blikken om mij heen dus schep voorzichtig iets van het bord mijn mond in. Kauw langzaam, hoop dat het niet opvalt dat ik geen tweede bord haal.
Het doorslikken is voortdurend het probleem! Zo ongemerkt mogelijk haal ik de etensbal uit de mond en stop hem snel in de broekzak. Later, als die broek uit de was komt zit de zak altijd dichtgeplakt.

Tegen de lente ben ik aangekomen, heb zelfs een kleur gekregen!
Terug in de vierde klas op de Drie Octoberstraat school is het wennen. Ik kijk op tegen het speelkwartier wanneer kinderen door elkaar rennen, spelen en gillen. Dagelijks komt na schooltijd een jongen uit de klas op mij af. Dreigend zegt hij: je bent net een meisje. Ik weet niet wat te zeggen, draai me om maar hij loopt achter mij aan. Ik ren hard naar huis, durf niet achterom te kijken.
Elke ochtend wanneer de wijzers van de klok richting twaalf uur gaan begint mijn hart sneller te kloppen. Op een dag vertel ik moeder over deze jongen. Wacht maar. Ze stapt naar de meester. Wat ze gezegd heeft weet ik niet, maar daarna rent hij me niet meer achterna.

In de klas zit ik naast Cor. Wij wisselen als nummers 2 en 3 elkaar voortdurend af. De beste van de klas is Emiel Fallaux, een jongen waar iedereen een hekel aan heeft.
Op een warme dag in de vakantie gaan Cor en ik naar een cowboyfilm in Rex, een bioscoop in de Haarlemmerstraat. In het donker wanneer de film begint komt een man naast mij zitten. Een hand op mijn bovenbeen beweegt langzaam de broekspijp in. Tegenstribbelen durf ik niet.
Wanneer hij mijn piemel heeft gevonden zit hij voortdurend aan de eikel. Een vervelend gevoel dat een beetje pijn doet. Plotseling pakt hij mijn hand en even later voel ik kroeshaar. Met kracht trek ik mijn hand terug. Hij zoent mij op het voorhoofd. Die man denkt zeker dat ik een meisje ben! Van de film herinner ik me weinig. Bij gymnastiek, tijdens het paal klimmen voel ik opnieuw mijn eikel, vooral bij het omhoog gaan. Maar nu is het gevoel wel prettig.

In de 6e klas doen we verkeersexamen. Dat kan zowel lopend als op de fiets zegt de meester. Iedereen kiest voor de fiets. Ik steek ook mijn hand op, durf niet te zeggen dat ik geen fiets heb. Nog nooit heb ik op een fiets gereden.
De oude waterpomp op de Garenmarkt is het verzamelpunt. De meester ziet mij zonder fiets aan komen lopen. Hij zorgt voor een ruim aanbod van klasgenoten. Wanneer ik een been over een zadel probeer te slingeren val ik met fiets en al om. Niet erg, zegt de meester, wandelen kan ook. Hij geeft mij instructie de pijlen te volgen. Tijdens die wandeltocht door het centrum van Leiden passeren klasgenoten op de fiets. Ze roepen van alles. Luisteren doe ik niet, volg de richting en haal het verkeersdiploma.

Samen met een groepje kinderen krijg ik buiten schooltijd Franse les van meester Paulissen, het hoofd die voortdurend met een lineaal op zijn bureau slaat.
De drie besten van de klas mogen toelatingsexamen doen voor de hbs. Ik ben trots op mijn cijferlijst, kan steeds beter leren: veel achten en negens! Ben ik net zo goed als Dirk? Dat zou geweldig zijn!
Moeder vraagt nooit naar school. Een ouderavond bezoekt ze niet. Elk kwartaal tekent zij het rapport met tweemaal onze achternaam. Ik begrijp dat niet maar ze zegt dat mijn vader familie is. Verhalen over de familie kan ik nooit volgen, veel te ingewikkeld. Alleen onthou ik dat Rijnsburg een plek is waar veel hugenoten wonen en dat wij afstammen van deze vluchtelingen uit zuid Frankrijk die er vandoor gingen uit angst voor de katholieke kerk.

Voor mijn verjaardag heb ik een abonnement gekregen op de Arend. Een jeugdblad met verhalen en strips. Ik lees hoe je een huisje voor jezelf kunt maken van hout en beton, in de tuin. Direct begin ik ermee. Maar verder dan een klein stukje muur kom ik niet. Wim werkt tegen. Hij wil het land achter de schuur weer terug, zegt dat daar struiken voor fruit komen.
Voor het kopen van het strip tijdschrift Kuifje loop ik wekelijks naar de boekwinkel op het Levendaal. Ik ben gek op de verhalen van professor Mortimer. Buiten ruik ik meteen aan het nieuwe nummer. Op de hele wandeling terug geniet ik van die heerlijke geur.

Elk half jaar krijgen we bezoek van de pianostemmer. Hij komt een ochtend of middag. De eerste keer vertelt hij het verhaal over een meisje bij wie hij thuis de piano stemt. Er is iets raars met haar aan de hand Joop. De aardige man vertelt bij volgende bezoeken nog twee keer hetzelfde verhaal.
Het meisje is volgens hem een ongewenst kind. Dat is heel erg Joop. Ik luister telkens aandachtig, weet niets te zeggen. Waarom vertelt hij dit tegen mij?

Het is zover. Ik klim de trap op van de statige Hogere Burger School. Buiten is het warm, binnen koel en kil. Ineens krijg ik het benauwd. Wanneer ik slaag ben ik net zo knap als Dirk die op deze school is geweest en die nu studeert voor ingenieur in Delft. Ik ril.
De velletjes met opdrachten ruiken prettig vers. Mijn hart klopt sneller. Wanneer ik begin te lezen dringt wat ik lees niet tot mij door. Het lijkt alsof iets het denken in de weg zit. Het wil maar niet lukken. Na afloop weet ik zeker: dit heb ik verprutst.
Wim en moeder vragen niet hoe het is gegaan. De post hoef ik niet zien. Nu wordt het de mulo.

In de vakantie willen wat oudere jongens uit de buurt geld verdienen. Ik sluit me aan en ga ’s morgens mee naar een loods waar een grote lopende band staat. Aan het begin ervan worden gedroogde groenten gestrooid. Later gaat alles in pakjes Royco soep vertelt een man. Hij geeft ieder van ons een doos met de opdracht de donkere stukjes van de band te halen.
Aan het eind van de middag leveren we de dozen in. De baas kijkt in alle dozen. Die van mij is minder vol dan die van de anderen, maar wat erin zit is donkerder. Je werkt niet zo hard maar wat je doet doe je beter dan de rest krijg ik van hem te horen.
Niemand hoeft de volgende dag terug te komen. Ik ben blij. Dit werk is niks voor mij. Bij een volgende poging, bollen pellen ben ik het zelf die na een dag besluit: dit eens, maar nooit meer.

uit:
autobiografie

Vierde Hoofdstuk
Tandwolf

;


Ontdek meer van joopbrussee.com

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.