Oorlogsbaby

uit: autobiografie Zwerfziel
1e verhaal
proloog
1944

Op 3 oktober 1943, de dag waarop Leidens ontzet wordt gevierd verlaat Jan Brussee iets te laat de kerk. Het gevolg is dat negen maanden later een jongen wordt geboren in het Academisch Ziekenhuis, vlak na D-day.
Hij krijgt de bijbelse naam Johannes, de zevende baby van Antje Brussee, uit haar derde huwelijk. Ze is 40 jaar. Teleurgesteld denkt ze ach, ik had zo gehoopt op een meisje.

Het is oorlog. Mijn geboorte betekent een mond erbij in het arme gezin dat verder bestaat uit moeder en vader, oma en de kinderen Coby, Dirk, Wim en Sam.
Gelukkig heeft moeder een fors lichaam. Na mijn geboorte is het voor haar niet moeilijk onbekenden te laten geloven dat ze in verwachting is. Extra voedselbonnen waardoor het gezin de hongerwinter overleefde.
Coby als oudste is gek op kleine kinderen en zorgt voor mijn kleren, behandelt mij als een levende pop. Als nakomer ben ik zeven jaar jonger dan mijn broer Sam, die Samuel gedoopt is. Vanaf het begin bungel ik er als nakomer een beetje bij.

In het huis met vier kamers en een zolder ontbreekt liefde. Mijn vader is streng gereformeerd en mijn moeder licht hervormd. Bidden voor het eten, bijbel lezen daarna. Liefde is een woord uit de bijbel.
Angst, woede en verdriet hebben in de oorlog een rol gespeeld. Maar de cultuur is: over gevoel wordt niet gesproken. Knuffels bestaan niet.
Zodra de oorlog is afgelopen gaat iedereen zijn weg. Vrij zijn, een nieuw leven beginnen en de afgelopen vijf jaar zo snel mogelijk vergeten. Daarbij hoort ook mijn geboorte. Moeder doet ook mee. Ze werkt mijn vader het huis uit omdat met die man niet te leven valt.

Coby is als oudste de kostwinner. Dat ze gek is op baby’s komt moeder, de absolute baas in het gezin, goed uit. Ze schijnt het heel moeilijk gehad te hebben in haar eerste huwelijk. Van die man is zij gescheiden na de geboorte van drie kinderen.
Een jongen die met zijn vader meegegaan is naar Canada, een meisje dat overleed aan kanker in haar tienertijd en Coby.
In de tijd van de scheiding krijgt moeder verkering met een man met wie ze zo snel mogelijk trouwt. Uit dat tweede huwelijk komen twee jongens, Dirk en Wim. Door de haast krijgen ze de achternaam van haar eerste man.

Dirk krijgt de opdracht van moeder mij zoet te houden wanneer ik huil. Inventief bevestigt hij een touw aan de kinderwagen, trekt en duwt met een hand en houdt met de ander een boek vast. Soms zet hij me boven op zijn schouders en rent als een paard in het rond.
Met zijn iets jongere broer Wim, ruim tien jaar ouder dan ik vecht hij regelmatig. Het tweetal pestte altijd mijn vader, de derde man met wie moeder trouwde nadat hun vader vrij snel stierf. Uit dat derde huwelijk komen Sam en ik.
Sam is dus mijn volle broer. Hij ziet slecht, kijkt als het ware door kokertjes, een oogziekte die niet veel voorkomt.

We wonen in de oude binnenstad, aan een zijgracht van het Rapenburg. Soms kruip of loop ik de kamer van oma in de voorkamer binnen. Met donkerbruin behang is het daar altijd behoorlijk donker. Heel stil ook waardoor het tikken van de klok op de schoorsteen te horen is. Ik blijf nooit lang.
De huisarts is een wat nukkige vrouw. Tijdens een onderzoek in haar praktijk moet ik bloot op een tafel staan. Ik begin onverwacht in haar openstaande tas te plassen en dat vindt zij niet leuk. Ze werkt mee mijn vader, een achterneef van moeder het huis uit te werken. De reden: stemmingswisselingen.
Ik ben te jong om mij iets van mijn vader te herinneren. Wie men liefheeft moet men kastijden. Volgens moeder sloeg hij haar omdat die tekst in de bijbel staat. Hij wilde niet echt scheiden dus werd het gescheiden van tafel en bed.

Het huis aan de gracht is oud en heeft iets mysterieus door al het gepiep en gekraak. Dirk en Wim vonden geheime ruimtes door op muren en panelen te kloppen. Ontdekten een tunnel die van boven achter een muur van de lange gang loopt. Maar die holle ruimte verkennen durven ze niet.
Een luik, boven het plafond op zolder geeft toegang tot een vliering waar soms muizen genieten van gedroogde maiskolven uit de tuin die Wim daar heeft opgehangen.
De achterkamer die op de lange tuin uitkijkt is onze leefruimte. Net als ik slaapt Sam op zolder. Wim heeft een soort kamer in een hoed gemaakt. Hij wordt de lange genoemd en heeft een fietslampje aan een balk geschroefd zodat het ’s nachts niet helemaal donker is en ik niet bang hoef te zijn. Want geluiden hoor je dag en nacht.
Wanneer ik een keer ’s avonds in bed lig en niemand thuis is denk ik dat een vreemde in het huis rondloopt. Ik ben heel, heel bang.

Aan de achterkant, tegen het huis aangebouwd bevindt zich de keuken met direct daarachter de bijkeuken en de wc. Een deur daartussen ontbreekt: in de hongerwinter in de kachel verdwenen. Buiten rust daartegen een schuur waar kolen voor de kachel liggen. Een grote eikenboom van de buren strekt zijn takken uit over het dak.
Op de wc pot zonder bril ligt een ijzeren plaat. Het verhaal gaat dat een grote waterrat een keer uit die pot is gekropen. Ik ben bij elk bezoek doodsbang een rat te zien en blijf bij het poepen zo kort mogelijk zitten, prevel half luid een verzonnen tekst. Het is vandaag …..een fijne dag? Mmm ja, het gaat. Maar nooit zie ik in de vochtige ruimte een rat.
In de winter is het daar altijd heel koud. Een brandend petroleumtoestel in de hoek moet dag en nacht zorgen dat de waterleiding niet bevriest. Bij nat weer krijg ik soms een elektrische schok wanneer ik een muur aanraak.

Links van ons huis staat een groter huis waarin een echtpaar zonder kinderen woont. Hun tuin is net zo groot als die van ons. Aan de rechterkant wonen een weduwe en haar zoon Cees, een jongen die een jaar ouder is dan ik. Zij hebben slechts een klein plaatsje waar achter een hoge muur onze tuin ligt.
Het verhaal gaat dat in de oorlog de joodse vader van Cees midden in de nacht is opgepakt door de Duitsers. Moeder zegt dat ze op dat moment heel bang was. Stapels uniformen voor het verzet lagen klaar. Die had ik net allemaal genaaid.
Het vak van naaister heeft ze vroeger geleerd op een atelier en nu verdient ze geld met verstelwerk voor mensen uit de buurt. Soms ook met het aanpassen van nieuwe kleding uit modezaak Spier in de Haarlemmerstraat.

De tuin is niet alleen lang maar ook breed. Ik speel er graag in met de kat. Veel buren kijken jaloers vanaf een terras, balkon of vanuit een raam. Het grasveld in het midden gebruiken Dirk en Wim als dansplek tijdens feestjes. Ze zijn gek op jazzmuziek, zoals Dave Brubeck en Miles Davis.
We eten altijd groente en fruit uit de tuin. Ook allerlei soorten bessen, rabarber, stokbonen en sla. Wim verzorgt die tuin, vindt dat hij daar de baas is. Naast het kippenhok heeft hij een lange ren getimmerd met gaas. Hij houdt van werken met zijn handen. Ook heeft hij vertsnad van de natuur en houdt van dieren behalve van katten: die poepen op plaatsen waar hij met zijn handen in de aarde zit.
Om de zoveel weken komt een oom kippen slachten. In de schuur hakt hij de koppen van de dieren af en gooit de darmen in een emmer. Ik moet kokhalzen wanneer ik dat zie en ren altijd weg wanneer hij komt.

Moeder praat nooit met mij. Ze geeft Dirk, als oudste man in huis voortdurend opdrachten alsof hij mijn vader is. Aanraken doet ze mij ook niet.*) Al haar aandacht gaat naar Sam. Ze klaagt graag over hoe zwaar ze het heeft. Ik sta overal alleen voor.
Zodra ik de leeftijd heb om met Sam te kunnen wandelen brengt ze ons naar buiten en zegt: onthou goed Jopie, jij bent zijn ogen, je bent er voor jouw broer.
Ik krijg een grote verantwoordelijkheid zonder dat ik dat besef.
Daarbij vindt ze mij een lastig kind, zeker wanneer Coby buitenshuis werkt. Dan ga ik spelen in de tuin of op straat.
Tijdens de eerste wandeling met Sam moet ik hem een hand geven. Hij wil dat ik hem seintjes geef voor het oversteken en het naderen van een stoeprand via kneepjes. Braaf voer ik zijn instructies uit als een echte blinde geleidehond.
Op zijn fiets trapt hij terwijl ik op de stang voor hem zit en aanwijzigingen geef over het verkeer.

Dirk kan heel goed leren op school. Moeder is daar trots op. Boven oma’s ruimte heeft hij een kamer aan de gracht zijde. Samen met Wim bombardeert het tweetal mij tot hun slaaf. Opdrachten dus. Van het kopen van sigaretten tot briefjes afleveren bij meisjes. Dat laatste gebeurt onder bedreiging.
Moeder dreigt mij ook. Wanneer ik in haar ogen weer eens lastig ben zegt ze mij naar het politiebureau te brengen in de Sonneveltstraat.
Op een dag wanneer ik iets te laat thuiskom voor het eten word ik door Dirk meegenomen naar de keuken waar hij mijn hoofd omgekeerd onder de kraan drukt. Water spuit in mijn oren en neus. Om af te koelen hoor ik hem zeggen. Ik ben doodsbang te stikken. Schreeuw, krijs en gil. Moeder staat erbij. **)
Wim vindt het heerlijk mij te pesten. Hij zingt vaak op treiterige toon zeg Jozef Jozef, wanneer gaan we trouwen? Dat maakt mij zo kwaad dat ik op een dag tegen hem op klauter om hem op zijn grijnzend gezicht te timmeren. Moeder trekt me van hem af. Kalm, rustig maar is het enige wat ze zegt.

Buiten blijf ik dicht bij huis. Speel alleen of met kinderen uit de buurt op ons stuk gracht dat doodloopt. Kras zand weg tussen de stenen, speel met knikkers. Hinkel. Soms spelen we met vier land veroveren. Ieder kiest een land en schrijft dat in een cirkel. Voeten bij elkaar. Wie begint zegt: ik verklaar de oorlog aan…...
Zowel binnen als buiten schrik ik van harde geluiden. Wissel lachen snel af met huilen. Moeder noemt mij een zenuwpees.
In de winter wanneer de sneeuw opvriest maken we glijbanen op de hoge Molensteeg brug.
Het is spannend om te zien of het ijs in de gracht hard genoeg is om erop te staan. Ik krijg een paar oude houten schaatsen. Met linten worden die om de schoenen vastgesnoerd. Mijn schoenen schuiven daar telkens onhandig vanaf.
Soms kleurt het water in de gracht rood of paars. Het is een verfkleur van Van Wijk wollen dekens, de fabriek iets verderop aan de gracht. Het water stinkt dan heel erg. Dirk heeft daarover geschreven in het Leidsch Dagblad. Geen reactie.

Aan de rand van het water van de Witte Singel vragen een paar iets oudere voor mij onbekende jongens uit de buurt of ik naar vissen wil kijken. Ineens duwen ze mij de plomp in en rennen lachend weg. Druipnat loop ik naar huis. Voortaan oppassen voor kinderen.
Ik ben bang voor honden. Helemaal voor de grote witte hond aan de overkant. Nooit loop ik daar. Aan het eind van ons stuk gracht hebben mensen een grote herders hond. Hij blaft hard als hij het huis uitkomt.
Bij Rudy, net zo oud als ik woont in het hoekhuis van de Bakkerstaat. Voor zijn vader ben ik bang en kom liever niet bij hem thuis. Soms komt Rudy bij mij in de tuin, helpt dan met een tent bouwen.
Op de kleuterschool met allemaal vreemde kinderen voel ik me niet prettig. Wanneer moeder achter de naaimachine zit drentel ik in haar buurt. Ze vraagt: wil je niet meer naar school? Kort kijkt ze mij aan. Ik schud mijn hoofd. Zonder verder te vragen klinkt het: dan hoef je niet meer.

Dirk is naar de hbs gegaan en doet het daar heel goed volgens moeder. Ze vertelt dat graag tegen iedereen die op bezoek komt en wanneer we op visite gaan bij haar twee zusters Truus en Ko. Ik moet op een stoel zitten en luisteren naar het gekakel. Ze klaagt altijd dat ze het zwaar heeft met een gehandicapt kind.
Sam speelt in de huiskamer op een orgel. Hij droomt van een piano maar krijgt eerst een viool. Het studeren is niet om aan te horen. Niet veel later vervangt een oude Franse piano het orgel. Die klinkt heel vals! Dat hoort zo zegt Sam vrolijk.
Tijdens een weddenschap met buurjongen Cees op de rand van het muurtje dat tuin en plaatsje scheidt spring ik naar beneden. Op een been lukt het staan niet meer. Een neef, zoon van tante Ko wandelt met mij op de rug een aantal keren naar het Academisch Ziekenhui. Thuis heeft niemand tijd. Wim werkt en Dirk studeert in Delft voor ingenieur en is alleen in het weekend thuis.

In de kamer staat een oude fauteuil waar de veren uitsteken Ik zit er graag in met opgetrokken benen. Blader door tijdschriften uit de leesportefeuille. Bij bezoekers ga ik meteen de tuin in, blijf op afstand.
Soms bakt moeder witbrood en krentenbrood. Vooraf staan de bakvormen naast de kachel om het deeg te laten rijzen. De geur bij het bakken is heerlijk en het brood smaakt fantastisch. Omdat we geen geld hebben voor taart wordt met kaakjes, boter en chocoladepasta een taart gemaakt die heel lekker smaakt.

Op de Steenstraat, dicht bij het station is duidelijk te zien hoe een gebouw, een groot ziekenhuis is gebombardeerd. Over de oorlog wordt nooit gesproken. Ik vraag aan moeder: zijn hier ook mensen gesnuffeld? Direct begint ze te lachen en stuurt mijn vraag op naar de radio. Later is die vraag te horen in het programma Die van mij die zei toen. Iedereen lacht uitbundig. Niemand vertelt waarom. Over de oorlog wordt nooit gesproken.
    
Moeder heeft kleine ogen. Ik durf haar niet echt aan te kijken word snel bang van haar. Samen in de alkoof waar ik samen met haar in bed slaap draait ze zich altijd van mij af.
Op een keer als ik geen zin heb met Sam te wandelen en dat tegen haar durf te zeggen grijpt ze onverwachts in de gang mijn beide armen fors beet. Haar nagels drukken diep in mijn vlees. Dat doet echt pijn! Op vreemde toon sist ze: je denkt ook alleen maar aan jezelf. Ze lijkt wel een heks.
Ik ruk me los en wil zo snel mogelijk weg, de straat op. Buiten tril ik lang na. Ik ben heel, heel kwaad. Het is niet waar wat ze zegt, niet eerlijk ook. Ik moet altijd van iedereen alles, mag nooit aan mezelf denken. Altijd wandelen met Sam en voor iedereen klaar staan om boodschappen te doen. Mijn hoofd onder de kraan voor straf!
Ik word steeds banger voor haar. Ze is niet te vertrouwen. Op een dag brengt ze me zeker naar het politiebureau.
Maar binnen in mij kan ze niet kijken. Daar bewaar ik iets heel moois. Iets dat helemaal van mij is. Niemand weet dat. Niemand ziet het. Niemand kan daarbij komen. Geen idee wat het is, maar het zit er, daar ben ik zeker van. Dat bewaar ik voor iemand die van mij houdt.

volgende: Bleekscheet

Oma gaat dood. Ik trek het gordijn in de alkoof een beetje weg. Moeder huilt terwijl ze met een kussen rond het bed van haar moeder loopt.
Aan de ceremonie rond de begrafenis in de voorkamer mag ik niet meedoen. Wacht maar op de gang zegt moeder.
De voorkamer van oma is vrij. Coby trouwt met Luc Mieremet, een man die schreeuwend praat en ook heel hard lacht. Zij trekken bij ons in.

BUNDELS



Ontdek meer van joopbrussee.com

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.