uit: Zwerfziel
aanloop
1944

Een jongen. Vlak na D-day, op 2 juli 1944 word ik in het Academisch Ziekenhuis in Leiden geboren. Krijg van mijn vader de bijbelse naam Johannes. Ik ben de zevende baby van Antje Brussee, uit haar derde huwelijk. Ze is 40 jaar. Na zes bevallingen wil ze geen kind meer. Ze is teleurgesteld: ook dat nog, ik had zo gehoopt op een meisje.
Mijn geboorte betekent een mond erbij in het arme gezin dat bestaat uit oma, vader, moeder en de kinderen Coby, Dirk, Wim en Sam.
Gelukkig heeft moeder een fors lichaam. Na mijn geboorte is het voor haar niet moeilijk onbekenden te laten geloven dat ze in verwachting is. Extra voedselbonnen levert dat op. Het gezin komt de hongerwinter ongeschonden door.
Coby is gek op kleine kinderen. Ze zorgt voor kleren, behandelt mij als een levende pop. Als nakomer scheel ik zeven jaar met mijn broer Sam, gedoopt als Samuel, de wens van mijn streng gereformeerde vader. De anderen hebben geen belangstelling voor een baby.
In het huis aan de gracht met vier kamers, twee verdiepingen, een zolder en een vliering verlangt iedereen naar de bevrijding van de Duitsers.
Moeder kan totaal niet overweg met mijn vader. Beide dachten bij het huwelijk dat de ander vermogend was.
Voor het eten is het bidden verplicht en na volgt voorlezen uit de bijbel en opnieuw een gebed door mijn vader hardop uitgesproken. Daarin valt vaak het woord liefde.
In de oorlog waren angst, woede en verdriet normaal. Na de bevrijding onstaat opwinding: bouwen aan een nieuw en vrij bestaan.
Over gevoel wordt nooit gesproken, dat past niet in onze cultuur. Knuffels zijn niet onbekend. Iedereen gaat zijn eigen weg. Voor moeder is het duidelijk: de ouwe, mijn vader moet het huis uit. Volgens haar heeft hij teveel stemmingswisselingen. Via de huisarts verdwijnt hij uit het dagelijks bestaan van het gezin.
Als oudste is Coby de kostwinner. Ze werkt zes dagen in de week.
Moeder vertelt aan iedereen hoe moeilijk zij het heeft gehad in haar eerste huwelijk en hoe gelukkig in het tweede. Over mijn vader, haar derde man zegt ze met die man is niet te leven.
Dirk en Wim geboren terwijl ze nog niet gescheiden was krijgen beide ook de naam van Coby: Kanbier.
In het eerste huwelijk is een jongen met zijn vader meegegaan naar Canada en hem krijg ik nooit te zien. Over Riek, een meisje dat overleed aan haar hart op jonge leeftijd wil moeder nooit praten. Na de scheiding trouwt ze met een dove man. Jore. Deze tweede man stierf tijdens het opgroeien van Dirk en Wim aan kanker.
Moeder geeft Dirk als oudste de opdracht mij zoet te houden. Inventief bevestigt hij een touw aan de kinderwagen, trekt en duwt met een hand en houdt met de ander een studieboek vast. Soms zet hij me boven op zijn schouders en rent in het rond. Hortsik, hortsik. Zo hoog wild te bewegen is eng.
Dirk en zijn iets jongere broer Wim vechten veel. Het tweetal pestte graag mijn vader.
Sam en ik zijn van moeders derde man. Deze volle broer ziet slecht, kijkt als het ware door kokertjes en moet in de klas op de voorste rij zitten. De onderwijzer vindt dat lastig. Door klasgenoten wordt hij gepest en brillenjood genoemd. Zijn oogziekte komt niet veel voor. De oogarts zegt dat inteelt de schuldige is. Onze vader is een achterneef van moeder.
We wonen in de oude binnenstad, aan een zijgracht van het Rapenburg. Soms kruip of loop ik door het huis. In de kamer van oma die aan de straatkant ligt is het behang donker bruin. Het is daar niet alleen donker maar ook stil. Het tikken van de klok op de schoorsteen is duidelijk te horen.
De huisarts is een wat nukkige vrouw. Tijdens een onderzoek in haar praktijk moet ik bloot op een tafel staan. Onverwacht plas ik in haar openstaande tas. Moeder probeert mijn vader, een achterneef van haar het huis uit te werken.
Hij wilde vroeger dominee worden maar werd landarbeider. Nu geniet hij van het schermen met bijbelteksten, vooral met iemand die net als hij bijbelvast is.
Wie men liefheeft moet men kastijden. Volgens moeder slaat hij haar omdat die tekst in de bijbel staat. Hij wil niet officieel scheiden door zijn geloof dus zal het gescheiden van tafel en bed worden.
Het huis aan de gracht is oud en heeft door al het gepiep en gekraak iets mysterieus. Dirk en Wim ontdekken geheime ruimtes door op muren en panelen te kloppen. Ze vinden een tunnel die van een bovenkamer achter de muur in de gang naar beneden loopt. Dit donkere hol verkennen durven ze niet.
Een luik, boven het plafond op zolder geeft toegang tot een vliering waar soms muizen genieten van gedroogde maiskolven die Wim daar opgehangt.
De kamer die grenst aan de tuin is onze leefruimte.
Net als ik slaapt Sam op zolder. Wim heeft een soort kamer in een hoek voor zichzelf getimmerd. Hij is handig en wordt de lange genoemd gezien…. zijn lengte. Aan een balk heeft hij een fietslampje bevestigd zodat het ’s nachts niet pikdonker is en ik niet bang hoef te zijn voor al de krakende geluiden ’s nachts.
Alleen thuis op een avond in bed denk ik dat een vreemde in het huis rondloopt. Ik ben heel, heel bang, kruip onder de dekens waar het angstzweet uitbreekt. Pas wanneer ik beneden een deur hoor slaan en de stem van moeder hoor val ik in slaap.
Aan de achterkant, tegen het huis aangebouwd bevindt zich de keuken met direct daar weer achter de bijkeuken met de wc. Daar zat ooit een deur tussen maar in de hongerwinter is die opgestookt in de kolenkachel. Buiten, tegen de bijkeuken bevindt zich een donkere houten schuur waarin ook kolen voor de kachel worden opgeslagen. Een grote eikenboom van de buren strekt zijn takken uit over het dak.
Op de wc pot zonder bril ligt een ijzeren plaat. Het verhaal gaat dat een grote waterrat uit de gracht een keer uit die pot is gekropen. Bij elk bezoek ben ik doodsbang en poep zo kort mogelijk. Op de rand prevel ik half luid een verzonnen tekst. Het is vandaag geen maandag, geen dinsdag enz… een fijne dag? Mmm ja, het gaat. Dan peer ik hem. Gelukkig zie ik nooit een rat.
In deze vochtige ruimte is het in de winter altijd koud. Een brandend petroleumtoestel in de hoek moet dag en nacht zorgen dat de loden waterleiding niet bevriest. Bij nat weer krijg ik soms een elektrische schok wanneer ik de muur aanraak.
Links van ons huis woont een echtpaar zonder kinderen. Hun tuin is net zo groot als die van ons. Rechts leven een weduwe en haar zoon Cees, die een jaar ouder is dan ik. Zij hebben een klein plaatsje en weten dat achter een hoge muur onze grote tuin ligt.
Moeder vertelt dat in de oorlog de joodse vader van Cees midden in de nacht is opgepakt door de Duitsers. Op dat moment was ze heel bang omdat stapels uniformen voor het verzet klaar lagen in de kamer. Die had ik net allemaal genaaid.
Het vak van naaister leerde ze op een atelier en nu verdient ze geld met verstelwerk voor mensen uit de buurt. Soms ook met het aanpassen van kleding uit modezaak Spier in de Haarlemmerstraat.
De tuin is niet alleen lang maar ook breed. Ik speel er graag in met de kat. Buren kijken vanaf een balkon, terras of vanuit een raam jaloers naar beneden. Op het grasveld in het midden staan in de zomer ligstoelen. Dirk en Wim dansen daar tijdens feestjes. Ze zijn gek op jazzmuziek, van Dave Brubeck en Miles Davis.
We eten veel groente en fruit uit de tuin zoals stokbonen en sla, allerlei soorten bessen en rabarber. Wim verzorgt die tuin, vindt dat hij daarvan de baas is. Naast het kippenhok heeft hij een lange uitloopren getimmerd met gaas. Hij houdt van het werken met zijn handen, zegt verstand te hebben van de natuur. Behalve van katten die poepen op plaatsen waar hij met zijn handen in de aarde wroet, houdt hij van dieren zoals parkieten en vissen.
Om de zoveel weken komt een oom, een broer van moeder kippen slachten. In de schuur hakt hij de koppen eraf en gooit de darmen in een emmer. Wanneer ik dat voor het eerst zie ren ik kokhalzend weg. Bij een volgend bezoek van hem ben ik meteen vertrokken, de straat op.
Moeder praat nooit met mij. Ze geeft Dirk, als oudste man in huis voortdurend opdrachten alsof hij mijn vader is. Aanraken doet ze mij ook niet. Al haar aandacht gaat naar Sam. Ze klaagt graag over hoe zwaar ze het heeft. Ik sta overal alleen voor, is haar lijfspreuk.
Zodra ik de leeftijd heb om met Sam te kunnen wandelen brengt ze ons naar buiten en zegt: onthou goed Jopie, jij bent zijn ogen, je bent er voor jouw broer.
Ze schuift mij een grote verantwoordelijkheid in de schoenen zonder dat ik dat besef.
Ik ben voor haar een lastig kind en vlucht de tuin in of de straat op.
Tijdens de eerste wandeling met Sam moet ik hem een hand geven. Hij wil dat ik hem door kneepjes seintjes geeft voor het oversteken en het naderen van een stoeprand. Braaf voer ik zijn instructies uit als een blinde geleidehond. Op zijn fiets trapt hij terwijl ik op de stang voor hem zit en aanwijzigingen geef over het verkeer.
Dirk kan op school goed leren, iets waar moeder heel trots op is. Boven oma’s verblijf heeft hij een kamer aan de grachtkant. Samen met Wim bombardeert het tweetal mij tot hun slaaf: van het kopen van sigaretten tot briefjes afleveren bij meisjes. Dat laatste gebeurt onder bedreigingen.
Moeder dreigt mij ook. Wanneer ik in haar ogen lastig ben zegt ze ik breng je naar het politiebureau. Tegen de ramen van dit donkere gebouw in de Sonneveltstraat hangen foto’s van mensen die gezocht worden.
Op een dag wanneer ik te laat thuiskom voor het eten neemt Dirk mij hardhandig mee naar de keuken waar hij mijn hoofd omgekeerd onder de kraan drukt. Onder de straal gil ik en krijs, water spuit in oren en neus. Om af te koelen zegt hij. Ik ben doodsbang te stikken. Moeder staat erbij, doet niets.
Wim geniet van het pesten van mij. Hij zingt vaak op treiter toon zeg Jozef Jozef, wanneer gaan we trouwen? Dat maakt mij zo ontzettend kwaad dat ik op een dag tegen hem op klauter om op zijn grijnzend gezicht te timmeren. Moeder trekt me van hem af. Kalm, rustig maar, zo is het genoeg. Het is het enige dat ze zegt.
Buiten blijf ik dicht bij huis. Speel alleen of met kinderen uit de buurt op ons stukje doodlopende gracht. Kras zand weg tussen de stenen; speel met knikkers. Hinkel. Soms spelen we met vier jongens land veroveren. Ieder kiest een land. Voeten bij elkaar. Wie begint zegt: ik verklaar de oorlog aan…...
Zowel binnen als buiten schrik ik van harde geluiden. Wissel lachen snel af met huilen. Moeder noemt mij een zenuwpees en zegt dat ik op mijn vader lijk.
In de winter wanneer sneeuw opvriest maken we glijbanen op de hoge Molensteeg brug. Het is spannend om te zien of het ijs in de gracht hard genoeg is om erop te staan. Ik krijg een paar oude houten schaatsen en snoer ze met linten vas om de schoenen. Maar tijdens het schaatsen schuiven ze altijd weg.
Soms kleurt het water in de gracht rood of paars. Het is een verfkleur van Van Wijk de wollen deken fabriek iets verderop aan de gracht. Het water stinkt dan heel smerig. Dirk heeft daarover geschreven in het Leidsch Dagblad. Daar bleef het bij. Geen reactie.
Aan de rand van het water van de Witte Singel vragen een paar oudere jongens of ik naar vissen wil kijken. Ineens duwen ze mij de plomp in en rennen lachend weg. Druipnat loop ik naar huis en neem mij voor altijd op te passen voor onbekenden en vooral in de minderheid.
Ik ben bang voor honden. Vooral voor de grote witte hond aan de overkant. Nooit durf ik daar op de gracht te lopen. Ook van de herdershond van buren iets verderop moet ik niets hebben. Hij ziet er gevaarlijk uit en blaft heel hard wanneer hij het huis uitkomt.
Rudy, een jongen die net zo oud is als ik woont in het hoekhuis van de Bakkerstaat en de gracht. Hij heeft een strenge vader, ik kom niet graag bij hem thuis. Soms speelt Rudy wel in onze tuin met mij, helpt met een tentje bouwen met lappen en dekens.
Met vreemde kinderen op de kleuterschool voel ik me op de eerste dag niet prettig. Nog steeds niet na een week. Wanneer moeder achter de naaimachine zit drentel ik in haar buurt. Ze vraagt: wil je niet meer naar school? Kort kijkt ze mij aan. Ik schud mijn hoofd. Zonder verder te vragen klinkt het: dan hoef je niet meer.
Dirk gaat naar de hbs. Moeder vertelt trots aan bezoekers en bij familiebezoek dat hij heel goed kan leren. leert. Vooral bij haar twee zusters Truus en Ko. Ik moet dan op een stoel zitten en luisteren naar het gekakel van de vrouwen. Moeder klaagt dat ze het zwaar heeft met een gehandicapt kind.
Sam is muzikaal, hij speelt op het orgel. Zijn ogen gaan snel achteruit. Hij droomt van een piano maar krijgt eerst een viool. Het studeren is niet om aan te horen. Later, wanneer een oude Franse piano het orgel vervangt is het valse geluid ook niet mooi te noemen. Dat hoort zo zegt Sam vrolijk.
Tijdens een weddenschap met buurjongen Cees op de rand van het muurtje dat tuin en plaatsje scheidt laat ik mij uitdagen. Zeg dat ik best naar beneden durf te springen zoals Dirk en Wim. Het opstaan daarna lukt maar met een been. Een neef, zoon van tante Ko wandelt met mij op de rug een aantal keren naar het Academisch Ziekenhuis. Thuis heeft niemand tijd. Wim werkt overdag en leert daarnaast over tuinen. Dirk studeert in Delft voor ingenieur. Gelukkig kan ik op een dag weer op beide benen staan en lopen.
In een oude fauteuil met veren die uitsteken zit ik graag met opgetrokken benen, blader door tijdschriften uit de leesportefeuille. Bij een bezoeker vlucht ik de tuin in, blijf liever op afstand van vreemden.
Soms bakt moeder wit- en krentenbrood. De bakvormen staan vooraf naast de kachel om het deeg te laten rijzen. De geur is heerlijk en het brood smaakt fantastisch. Omdat we geen geld hebben voor taart uit de winkel maakt Wim met kaakjes, boter en chocoladepasta zelf een lekkernij. Stamt nog uit de oorlog.
Op de Steenstraat, dicht bij het station is duidelijk te zien hoe een gebouw dat een ziekenhuis was is gebombardeerd. De bom van de Engelsen had op het station moeten vallen maar kwam op het ziekenhuis terecht. Wat overbleef is nu het Museum voor Volkenkunde. Wanneer we er langs lopen vraag ik aan moeder: zijn hier ook mensen gesnuffeld? Direct begint ze te lachen en stuurt mijn vraag op naar de radio.
Later is die vraag te horen in het programma Die van mij zei toen…. Iedereen die mijn vraag hoort lacht uitbundig. Niemand vertelt waarom. Over de oorlog hoor ik weinig.
Moeder heeft kleine ogen. Ik durf haar niet echt aan te kijken, word snel bang. In de alkoof slaap ik met haar. Ze draait zich altijd van mij af.
Op een keer als ik geen zin heb met Sam te wandelen en dat tegen haar durf te zeggen grijpt ze mij in de gang onverwachts beet. Haar nagels drukken diep in het vlees van mijn armen, wat echt pijn doet! Op vreemde toon sist ze: je denkt ook alleen maar aan jezelf. Ze lijkt wel een heks!
Ik ruk me los, wil zo snel mogelijk weg de straat op. Buiten tril ik lang na. Ik ben heel, heel kwaad. Het is niet waar wat ze zegt, niet eerlijk. Ik moet altijd van iedereen van alles doen, mag nooit aan mezelf denken. Niemand denkt aan mij. Altijd met Sam wandelen en voor haar klaar staan om een boodschap te doen. En dreiging. Onder de kraan voor straf!
Vanaf dat moment word ik steeds banger voor haar. Ze is niet te vertrouwen. Op een dag brengt ze me echt naar het politiebureau. Ik word bang bij de gedachte.
Gelukkig kan ze niet in mijn lichaam komen. Binnen in mij bewaar ik iets moois. En dat is helemaal van mij. Niemand weet dat. Niemand ziet het. Niemand. Geen idee wat het is, maar het is mooi, ik weet het zeker! Misschien wel iets van liefde. En dat bewaar ik. Bewaar dat voor iemand die van mij houdt.

Het gordijn in de alkoof trek ik een beetje weg. Moeder huilt terwijl ze met een kussen rond het bed van oma loopt. Het lijkt of ze dood is.
Bij de ceremonie rond de kist in de voorkamer mag ik niet zijn. Wacht maar op de gang zegt moeder.
De voorkamer van oma is voor Coby met verloofde Luc Mieremet, een man die schreeuwend praat en ook heel hard en overdreven lacht.
Bleekscheet

Ontdek meer van joopbrussee.com
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.