Bleekscheet

uit: autobiografie Zwerfziel
2e verhaal
niet meer leven
1951

Oma gaat dood. Ik trek het gordijn in de alkoof een beetje weg. Moeder huilt terwijl ze met een kussen rond het bed van haar moeder loopt.
Aan de ceremonie rond de begrafenis in de voorkamer mag ik niet meedoen. Wacht maar op de gang zegt moeder.
De voorkamer van oma is vrij. Coby trouwt met Luc Mieremet, een man die schreeuwend praat en ook heel hard lacht. Zij trekken bij ons in.

Sam, Joop en Wim in de Leidsche Hout

In de trouwzaal waar op fluistertoon wordt gesproken is het wachten op de ambtenaar van de burgerlijke stand. Coby als eerste kind van het gezin het huwelijk in! Ineens knalt door de ruimte de stem van moeder: verrek, ik ben jarig!!! Haar verjaardag is vergeten door alle drukte.
De ambtenaar van de burgerlijke stand die binnenkomt begrijpt niets van de chaotische taferelen, van al die felicitaties achter de ruggen van het bruidspaar.

Buiten schooltijd blijf ik zoveel mogelijk op straat om de twee halfbroers Wim en Dirk te ontlopen die altijd opdrachten geven. Ook moeder blijf ik uit de buurt. Om zeker te zijn niet als loopjongen door haar te worden ingezet.
Op allerlei plaatsen bouw ik tentjes. Vaak met behulp van een houten wasrek die bedekt wordt met lappen en dekens. Binnen zet ik thee op een speelgoedfornuis.
Met Gerrit, die werkt voor de lorrenboer in de Bakkerstraat en regelmatig spullen ophaalt in een bakfiets, rijd ik graag mee. Ik help met het duwen van de kar tegen de hoge Molensteegbrug. Op de top van de brug zitten groeven, soms hoor je een knarsend geluid wanneer een auto er overheen rijdt.
Een keer per week loop ik door het Plantsoen naar de bibliotheek. Zoek naar verhalen van De Vijf en de Katjangs; zie boeken van Jules Verne staan maar de letters vind ik te klein om te lezen.

Sam vertrekt naar Bartimeus, een blindeninstituut in Zeist om daar de mulo te doorlopen. Het wandelen met hem gebeurt alleen wanneer hij in een vakantie overkomt. Ik mis hem. Ik was er voor hem had moeder gezegd. Wat moet ik nu alleen?
In bed laat ik ’s avonds de ogen ronddraaien, fantaseer te zweven in het zwart tussen de sterren. In het donker op zolder ben ik bang. Wim heeft een fietslampje op een balk gemonteerd maar dat doet het niet altijd.
Je knarsetandt in je slaap zegt moeder op strenge toon. Als voorzorg voor het wilde woelen in bed bindt zij elke avond aan beide zijden de dekens vast met linten. Loopt meteen weg. Nu Sam er niet meer is hoop ik dat ze aardig naar mij doet. Maar nee, daar heeft ze nooit tijd voor.

Regelmatig ben ik ziek, heb veel last van mijn keel. Op een dag worden mijn amandelen gepeld. De stoel waarop ik in het ziekenhuis zit voor de operatie lijkt op een elektrische stoel die ik op een foto zag in de Revue uit de leesportefeuille: riemen om de polsen, om het middel en de enkels.
De chirurg voor mij trekt zijn handschoenen aan. Hij ziet eruit als een slager met een groot scherm voor zijn gezicht. Een neuskap gaat op mijn neus waar gas uitkomt voor de verdoving.
Ik droom van bloederig gedoe en zie vaag de chirurg bezig zonder pijn te voelen.
De volgende ochtend krijg ik van een zuster een bord pap. De klonten erin zorgen bij het slikken voor pijn in mijn keel. Bij het lezen van Pietje Bell moet ik lachen en ook dat doet pijn.

Op een zondagmiddag neemt moeder mij mee voor een wandeling op de Rijnsburgerweg. Ik denk: we gaan naar tante Dien die in Endegeest zit opgesloten. Ze is niet 100%. Sam vertelde dat ze zichzelf bij volle maan met schoensmeer inwrijft.
Plotseling zegt moeder: straks ga je je vader zien. Dat is schrikken. Natuurlijk heb ik een vader. Maar net als over de oorlog wordt over hem nooit gesproken. Moeder heeft hem nodig vanwege geld.
Ik word snel heel bang. Wat nu te doen? Wat moet ik tegen die man zeggen? Mij losrukken en weg rennen?

Hij lacht vriendelijk en noemt mij Jo. Het lijkt erop dat hij blij is mij te zien. Hij praat aardig en is ook gek op snoepen, houdt vooral van marsepein. Zo snel mogelijk wil hij dat ik gedoopt word.
Ook wil hij dat ik elke zondagochtend naar zondagsschool ga inplaats van mee naar de kerk. Bij het uitlaten aan de voordeur fluistert moeder: ga maar een blokje om als je geen zin hebt.
Naar wie moet ik voortaan luisteren? Die twee begrijp ik niet. Je gaat toch niet trouwen wanneer je het niet met elkaar kan vinden? Op de vraag: waarom trouwen mensen met elkaar geeft niemand antwoord.
Moeder is licht hervormd, gaat op zondag naar het zaaltje, naar een soort sekte waar iemand preekt. Mijn vader is streng gereformeerd Ik moet hem net als mijn moeder met u aanspreken. Voor en na het eten ogen dicht en luistern naar zijn gebed. Na afloop leest hij voor uit de bijbel.
Wanneer ik op zijn schoot mag zitten vertelt hij verhalen uit dat boek. Moeder ziet dat en haar gezicht staat niet goed.
       
Dirk en Wim pesten niet alleen mij maar ook mijn vader. Dat deden ze voor mijn geboorte ook. Altijd na het eten want ze moeten niets hebben van bidden en luisteren.
Met kerstmis halen ze een grap uit. In het donker gaan ze naast zijn bed staan met brandende staafjes koudvuur en porren mijn vader wakker. Hij knippert met de ogen en zegt: waar ben ik? In de hemel fluistert het tweetal, klaar om weg te rennen. Zijn gezicht straalt, hij is hemels gelukkig. Maar wanneer hij ziet wie bij zijn bed staan en dat ze hem in de maling nemen maken de jongens dat ze weg komen.
Ze zien daardoor niet dat hij inplaats van kwaad te worden lacht: het duivels tweetal heeft over de hemel gedacht! Dat is voor het eerst!

Moeder grijpt in: ze vindt het niet goed dat de ouwe mij verhalen vertelt over de duivel en in het vervolg houdt me zoveel mogelijk van hem weg. Nu heb ik niemand meer. Eindelijk was er iemand die mij ziet en dat mag niet. Zelf mijn vader!
Ik weet zeker dat de ouwe in de gaten heeft dat het niet goed met mij gaat. Ik hoor hem tegen moeder over mij praten. Hij wil dat ik naar een kostschool ga. Moeder niet. Ze maken flink ruzie, zelfs met een handgemeen. Natuurlijk wint zij want zij is de baas.
Na ruim een jaar werkt ze hem via de huisarts het huis uit. Ik mis hem, vooral dat op zijn knie zitten, dicht tegen hem aan. Dat was nieuw voor mij. Wat maakt het uit dat ik niets van die bijbelverhalen snap?

Coby, Yvonne, Luc senior en Luc junior verdwijnen, zij krijgen een eigen huis. Ik blijf achter met moeder en de twee halfbroers.
Dirk komt vanuit Delft alleen in het weekend thuis. Dan praat hij met Wim over meisjes en neuken. Ze lachen om schuine moppen en maken homo’s belachelijk.
Coby volgt balletles. Wanneer ik de paraplu dans van haar nadoe maken ze mij uit voor mietje. Ze zeggen dat mannen in mayo’s allemaal van de verkeerde kant zijn. Geen echte mannen. Ik schrik daarvan en durf vanaf dat moment niet meer naar ballet te kijken.
Stiekem achter een stoel verborgen zie ik een keer Dirk met een meisje op de bank zitten. Ze zoenen en hij grijpt onder haar rok. Ademloos volg ik het tweetal door de spleet tussen rugleuning en zitvlak. Ademhalen of kuchen is levensgevaarlijk. Dirk vermoordt mij als hij mij in de gaten krijgt of later hoort dat ik iets aan iemand heb verteld!

Moeder zit vaak achter de naaimachine. Geld verdienen nu mijn vader weg is. Ze verstelt kleren voor mensen uit de buurt. Naar de winkel van Spier moet ik verplicht soms een paar keer per dag kleren ophalen en brengen. De druk kwebbelende joodse verkopers hebben een klein hondje dat vervelend keft.
Ik hou van onze zwarte poes en heb hem de naam Iwan gegeven. Vier katjes brengt ze ter wereld. Zo leuk!
Maar moeder heeft geen zin in die kleintjes. Op een dag staat midden in de kamer op tafel een teil met water. Ze gaat ze allemaal verdrinken, een voor een. Het lijkt wel of het een show wordt! Ik ren het huis uit, de straat op. Blijf zo lang mogelijk weg. Wil zo snel mogelijk vergeten wat ze gaat doen.

Naar school ga ik graag. Ook al krijg ik soms straf omdat ik teveel lach of te snel huil. De juf is aardig. Ik doe heel erg mijn best.
Cijfers voor vlijt, gedrag en netheid zijn bij elk rapport ruim voldoende. Juf komt een keer op bezoek omdat ik vaak afwezig ben door ziekte. De operatie aan mijn amandelen heeft niet geholpen.
Wanneer ik ziek ben lig of zit ik op een matras in de kamer. Lees een boek of luister naar de radio. De Arbeidsvitaminen laten populaire nummers horen. Moeders wil is wet is meer bedoeld voor volwassenen.
Bezoek krijg ik niet. Wim is altijd in de tuin aan het werk of druk bezig met zijn grote aquarium. De huisarts kwam een keer op huisbezoek en zat lang naar de vissen te kijken voor hij vroeg: wie is de zieke?

Voor mijn verjaardag krijg ik een konijn in een hok. Maar ik wil helemaal geen konijn. Met tegenzin loop ik elke dag naar de plek bij het kippenhok om hem te voeren.
In de koude winter die volgt verzorg ik hem heel slecht. Ik weet het en toch doe ik het.
Op een dag ligt hij dood achter de tralies. Ik krijg een vreemd gevoel van binnen. Het is mijn schuld.
Ik kijk vanuit de kamer naar de sneeuw in de tuin. Nergens heb ik zin in. In de spiegel zie ik hoe mager ik ben. Waarom ben ik niet dood?

Tegen iedereen klaagt moeder over mij terwijl ik erbij zit en mijn mond moet houden. Ze geeft de oorlog de schuld. Ik voel me op zo’n moment nog vervelender. Vel over been moppert ze en bestraffend een mager scharminkel of een bleekscheet. Ze zegt dat ik teveel snoep.
Denken aan eten maakt me misselijk. Alleen appelmoes, een aardappel en een bal gehakt willen met moeite naar binnen.
Op een ochtend in de vakantie zie ik een stel oudere kinderen bij een platte schuit in de gracht. Ze springen aan de voorkant van de boot waar de afstand steeds groter wordt erop en weer terug op de kade. Ik besluit mee te doen terwijl ik zeker weet dat die afstand voor mij niet te halen is.
Wanneer ik spring val ik tussen wal en schip. Toch lukt het verdrinken, het er niet meer willen zijn niet. Onder water zie ik een heleboel handen verschijnen. Ik grijp en word uit het water getrokken.

In de vierde klas komt een schoolarts op bezoek. Ze zegt dat het echt slecht met mij gaat. Mager, veel te bleek dus aansterken is volgens haar nodig. Zij stelt voor dat ik naar een buitenschool ga.
De Leidsche buitenschool ligt in de duinen van Katwijk aan zee. Naast gewoon les zijn er extra’s om aan te sterken. Net als ik zijn de andere kinderen in de oorlog geboren.
Vijf dagen in de week in de blauwe tram. De meeste kinderen wonen ook in Leiden. Bij aankomst moeten we allemaal eerst een belegde boterham eten. ’s Middags buiten rusten onder dekens.
Lessen worden zoveel mogelijk buiten gegeven, onder dennenbomen. Dat ruikt heerlijk fris.
Na de bel van twaalf uur gaan we naar een zaal om warm te eten. Je ruikt altijd meteen wat de pot schaft. Gelukkig nooit postelijn want daar moet ik van kokhalzen. Op de eerste dag: gekookte bietjes.

Lange tafels. Ik wil niet eten maar niemand mag dat zien. Bang voor de blikken om mij heen prop ik iets naar binnen. Kauw langzaam, waardoor een etensbal lang in mijn mond blijft en hoop zodoende dat het niet opvalt dat ik geen tweede bord haal, wat verplicht is.
Vooral het doorslikken van groente wil maar niet lukken. Wanneer het echt niet lukt haal ik de bal zo ongemerkt mogelijk met mijn linkerhand uit mijn mond en stop de groentebal snel in mijn zak.
Als de broek later uit de was komt zit de linkerzak vaak vervelend dichtgeplakt.

De hele winter moeten we dagelijks na het eten in de rij staan voor een lepel levertraan. Elke week onder de hoogtezon. Het helpt. Tegen de lente ben ik aangekomen, heb zelfs een kleur gekregen.
Terug in de vierde klas op de Drie Octoberstraat school is het wennen. Ik kijk op tegen het speelkwartier wanneer kinderen rondrennen, spelen en gillen.

volgende: Incasseren

Een jongen uit de klas ziet mij staan en komt mijn richting op. Hij zegt: je bent net een meisje. Elke dag bij het uitgaan om 12 uur komt hij op mij af. Ik ren weg en hij komt achter mij aan. Ik word steeds banger. Waarom doet hij dat?
Dagelijks wanneer de klok richting 12 uur gaat begint mijn hart sneller te kloppen. Ik wil niet dat hij mij te pakken krijgt.


Ontdek meer van joopbrussee.com

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.