Opa, vraagt de jongen, in welk kamp zit jij? De man kijkt naar links, kijkt naar rechts.Kijkt in de verte. Hij staart. Broer 1, broer 2. Moeder zus, broeder nee. Kleur warm, kleur blauw. Ik haat je, ik hou van jou. Lusten, lasten.Gulzig, vasten.Happy, lijden.Alleen of toch beide. Stap in, stap uit. Naar achter, tochMeer lezen over “Kampen”