Zo zijn

Vijfde Hoofdstuk

vanaf 1961 – 17 jaar

Mooie Rob is enthousiast om mee te doen aan een parodie op radioprogramma’s. We improviseren vanuit een kader dat Sam bedenkt. Een reportage, een buitenlands commentaar en een kookrubriek. Lachen veel. Ik leer hem wat beter kennen. Achterop zijn motorfiets rijden we naar Scheveningen om te bowlen.

Over mijn verliefdheid laat ik niets merken. Wel neem ik me voor hem te zeggen dat ik homo ben.
Op een zonnige dag verzamel ik moed en vertel het hem op mijn kamer. Vooraf had ik over deze coming out in mijn dagboek geschreven. Zijn reactie is nuchter: geen probleem als er niets verandert zoals we met elkaar omgaan. Ik knik. Nooit praten we over meisjes, nooit over iets dat met erotiek en sex te maken heeft. Nooit raak ik hem aan op een manier waarover ik fantaseer.

In de klas is het voor iedereen duidelijk: twee meisjes zijn lesbische vriendinnen, maar niemand praat daarover. Op een klassenavond wiebelt een van de twee onhandig op mijn schoot.
Door het goochelen krijg ik op school aanzien. Een hele zomervakantie besteed ik aan het instuderen van een optreden van 12 minuten tijdens een groot historisch feest in de stadsgehoorzaal. Een vloeistoffen nummer in kleren van een ober met muzikale begeleiding op een vleugel! Moeder zit in de zaal en vertelt trots in het rond dat ik haar zoon ben en dat ze mijn broek met geheime zakjes heeft genaaid.
Mijn populariteit groeit. Supporters willen mij voorzitter maken van de schoolcommissie. Onder Jobini, mijn goochelnaam hangen op een dag overal in het schoolgebouw borden met slogans in grote letters. Maar op de vraag van een klasgenoot of ik er echt zin in heb zeg ik nee. Besturen is niks voor mij. Liever kritiek leveren op leraren, dat ligt me meer.
Met elk optreden neemt het zelfvertrouwen toe: ik ben minder bang voor mensen, vooral voor groepen. Vernederend is het wanneer ik na het inleveren van een proefwerk de klas wil verlaten en Siljee, de leraar achter in het lokaal zegt moet je het boek niet uit je kastje meenemen, goochelaar Joop?

Op de kweekschool worden twee leraren heel belangrijk. De eerste geeft psychologie en pedagogie(k). Hij begeleidt mij in de stageperiode. Ondanks een meedogenloze dreun door openlijk in de klas te zeggen je bent denklui, mag ik hem graag. Mede door zijn aanwijzingen tijdens stageperiodes slaag ik uiteindelijk met glans voor het examen.
De tweede, de gymnastiekleraar is een wat afstandelijke man maar bijzonder aardig. Hij is geen prater, heeft veel geduld met mij.
In de les laat hij ons regelmatig springen over de grote kast, iets dat maar niet wil lukken, telkens beland ik bovenop die kast met het idee ik die lange afstand onmogelijk kan halen. Hij glimlacht altijd, zegt niets. Tot mijn stomme verbazing lukt het me plotseling op een dag.

Deze gymleraar vindt dat iedereen als onderwijzer een zwemdiploma moet hebben. Ik schrik. Voor geen goud spring ik in het diepe van zwembad de Overdekte waar we wekelijks naartoe gaan. Ik ben doodsbang water in mijn neus te krijgen en in paniek raak, een overblijfsel uit de tijd dat Dirk mijn hoofd omgekeerd onder de kraan hield.
Met een engelengeduld praat hij telkens rustig een poosje met mij aan de rand van het bad. Op een dag krijgt hij mij zover dat ik toch het water inspring. Wild sla ik om mij heen, kom hijgend en proestend naar boven, naar lucht happend. Ben verrast dat ik nog leef.
Bij het examen ben ik ziek. Het blijft zonder diploma bij de aangeleerde schoolslag, rugslag en trappelen, met het hoofd boven water.

In de vakantie besluiten Hens en ik naar een internationaal werkkamp te gaan voor studenten, in de Vogezen. Daar val ik direct op Chris, een mooie Engelse jongen, die net als ik van tafeltennis houdt. We slapen op de grond in een schoolgebouw.
Mike, de vriend van Chris komt later een lang weekend over naar Leiden. Hij zingt, begeleidt zichzelf op de gitaar en kan het bij de piano goed met Sam vinden. Hij vraagt of ik naar Bradford kom in de volgende grote vakantie. Enthousiast neem ik de nachtboot vanuit Vlissingen. De 8 mm camera, gekocht met geld van het seizoenwerk op het perron bij de n.s. neem ik mee. Opvallend Veel reizigers zie ik zeeziek worden. De volgende ochtend is de driijvende kots een onsmakelijk gezicht.
In de stad York speel ik met Mike golf in een groot park en drink voor het eerst whiskey, waarna ik ogenblikkelijk dronken word. Helaas, Chris zie ik niet.
Wanneer Mike mij afzet in London zien we vanuit zijn auto in een drukke straat iemand van een voetganger een handtas stelen. Ik was te laat met mijn filmcamera. Dit soort dingen gebeuren gewoon in een grote stad, zegt hij.
Op de boot naar Vlissingen denk ik: fantastische vakantie. Helaas opnieuw zonder een sex avontuur.

Over de brug in de Molensteeg woont Ed Ladan die iets ouder is. Regelmatig kom ik op zijn kamer, speel biljart in de werkplaats van het jaloeziebedrijf van zijn vader. Het is extreem schoon bij hem thuis. Zijn moeder doet de administratie en spreekt deftig, geaffecteerd. Wanneer ze zegt wat een zak zeg klinkt dat uit haar mond lachwekkend. Coby spreekt plat Leidsch, iets waar ik niet van houd. Moeder heeft een licht accent en bij bezoek begint ze overdreven de n bij elk woord uit te spreken, net als de koningin. Ze lijkt van acteren te genieten.
Met Ed ga ik soms naar Rotterdam, naar de kuip. Naast voetbal houdt ook hij van volleybal. Op vrijdagavond zijn we toeschouwers in de gymzaal van het Stedelijk Gymnasium en kijken naar spannende wedstrijden. Hij heeft verkering en vertelt dat zijn lul slap wordt wanneer hij een condoom eroverheen trekt. Ik luister alleen.

Met drie jongens uit mijn klas waaronder Maarten speel ik regelmatig bridge. We vinden klaverjassen te gewoon, dat is voor het volk. Het liefst doen we het tijdens het spijbelen in een cafe.
Na een jaar vraagt Maarten een muzieknummer aan bij Tineke van Veronica, ter gelegenheid van het 1 jarig bestaan. De plaat wordt gedraaid. Tineke gokt dat De Dik Downs een popgroep is.
Maarten en ik bezoeken een live concert van Cliff Richard in het gebouw van K&W in Den Haag. Met Do you wanne dance verschijnt ons idool uit de coulissen.! Gegil en mijn hart bonst. Cliff is homo wordt gezegd, maar hij verbergt dat. Ik voel me met hem verbonden. Maarten die net als iedereen niet weet dat ik homo ben leert nicht Gonnie kennen en het tweetal krijgt verkering.

Sam heeft een absoluut gehoor, wat betekent dat alles met geluid optimaal moet zijn. Grote boxen en een dure B&O versterker staan net als een oude vleugel in de voorkamer. Hij studeert ’s avonds, het ene na het andere stuk van Chopin. Eerst de ene hand, terwijl de andere braille leest. Dan omgekeerd en vervolgens samen. Zijn repertoire kan ik dromen. Geniet soms overdag wanneer hij werkt van pianoconcerten op zijn kamer.
Met hem ga ik naar voorstellingen in de Leidse schouwburg, zoals de oudejaarsconference van Wim Kan voor de radio die de dag ervoor wordt opgenomen of een toneelvoorstelling. Wie is bang voor Virginia Wolff met Ank van der Moer en Han Benz van den Berg maakt op mij diepe indruk. Ik hoor dat Albee oorspronkelijk de tekst voor een homopaar geschreven heeft. Twee mannen die samenleven, compleet nieuw voor mij.
Vanaf dat moment slaat het goochelen in een keer om naar toneelspelen. Ik weet ineens wat ik wil worden: acteur!

Grappig is dat ik vrij snel daarna op de planken van dezelfde Leidse schouwburg sta. In een gastrol als baron voor Gieren rond een doodshoofd, geschreven en geregisseerd door een pater van het Bonifacius Lyceum. Ik speel onder andere met een corrupte notaris, Boudewijn Buch die bijna onherkenbaar gemaakt is met brilletje en talkpoeder in het haar.
Sam laat mij kennismaken met een acteur die mij helpt bij het voordragen van gedichten voor school. De man is wel homo waarschuwt hij. Tijdens het bezoek zie ik een jongen op de bank zitten van mijn leeftijd. Zodra de acteur even verdwijnt in de keuken duiken we op elkaar en zoenen wild, maken een afspraak. Hij is kok en gaat voor mij een ragout met kippenvlees maken. Hij verzekert mij dat het vlees niet te zien is.
Het wordt de eerste keer dat ik kip eet en eindelijk ook het eerste sex avontuur, op mijn negentiende. Spermavlekken sieren het behang van zijn kamer.

Ineens durf ik over mijn zo zijn te praten. Ik vertel aan Sam over het avontuur met de kok. Direct vraagt hij: heb je het geaccepteerd? Ik raak in de war, heb geen idee wat hij bedoelt. Ik mompel wat en hij vraagt niet verder, zegt alleen dat hij dit nieuws wel aan moeder zal vertellen.
De volgende dag pinkt zij een traan weg onder het strijken en zegt voor zichzelf zonder mij aan te kijken: ach, als je maar gelukkig wordt. Daar blijft het bij. Geen gesprek. Precies als de afgelopen jaren. Ik leefde thuis alsof zij een hospita is. Nooit belangstelling voor mijn leven. Het zou vreemd zijn geweest wanneer ze dat ineens wel had gehad.
Later vind ik het jammer mijn zo zijn niet zelf aan haar te hebben verteld.

De studie voor onderwijzer loopt ten einde. Het vooruitzicht ver van moeder een nieuw leven te beginnen doet me goed. Vreemd genoeg krijg ik regelmatig last van oorpijn. Een neus-, keel- en oorarts onderzoekt beide oren, prikt wat nauwe neusgaten door maar helpen doet het niet. Medisch mankeert u niets zegt hij. Raadpleeg eens een zenuwarts.
Op het Rapenburg vertel ik over mijn verleden. Over mijn moeder, gemis van een vader, over het gedrag van mijn broers. Het klinkt in mijn oren eigenlijk heel gewoon, nogal saai ook.
In een andere kamer gaat de telefoon en ik hoor de zenuwarts een gesprek voeren met een collega. Vang op: eigenlijk heb ik maar 1 interessant geval op dit moment. Ik sta op, verlaat zonder afscheid te nemen het pand. Ik ben beslist geen interessant geval. De pijn voel ik niet meer.

In Eindhoven word ik aangenomen, heerlijk ver van Leiden, van moeder. De school ligt aan het Tafelbergplein en behoort tot een zogenaamde vernieuwingsschool. Wim verhuist mij naar een kamer. Ik ben de laatste die uit huis in de professoren wijk vertrekt.
Later hoor ik dat Wim bij terugkeer tegen moeder heeft gezegd: die zien we met Kerstmis weer terugkomen. Een opmerkelijke reactie. Nooit heeft hij zelfstandig op kamers gewoond, kan zich zoiets niet voorstellen. Hij heeft mij als halfbroer in de afgelopen twintig jaar nooit leren kennen. Hij heeft nooit op zichzelf gewoond.
Sam krijgt werk Roermond, zet zijn pianostudie voort op het conservatorium in Maastricht. Moeder blijft alleen achter.
Ik heb er zin in. Een schrijfmachine kopen van mijn eerste salaris, auto lessen nemen, op jazz ballet gaan en een amateur toneelvereniging zoeken. Voor het eerst eenvoudig voor mezelf koken. Maar het belangrijkst is: een vriend vinden! Die kok uit Rotterdam was na een paar weken onvindbaar.

uit:
autobiografie

Zesde Hoofdstuk
Bevrijd

OVERZICHT


Ontdek meer van joopbrussee.com

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.