Opa, vraagt de jongen
wat vond jij leuk toen je jong was?

De man schrikt van de vraag.
Weet niet zo snel wat te zeggen.
Hij denkt aan feestjes vroeger.
Aan een gedicht dat werd voorgelezen
DE RIDDERBALLADE
Heel hoog op een rots,
stond eens machtig en trots,
het kasteel van graaf Eelco de Rooie.
De burchtheer was slecht,
een hond voor zijn knecht
en ook heel gevaarlijk voor booien.
Op een dag streek dit heer,
in een herberg neer,
waar de nicht van de waards verre neefje,
de bierkroezen vulde
en mannenpraat dulde.
Haar naam o hoe lieflijk was Eefje.
Een maagdje zo teder,
zo licht als een veder,
was Eefje, de waard neefjes zusje.
Met voetjes zo klein,
en handjes zo rein
en een mondje dat vroeg om een kusje.
De rode rabauw
greep haar beet met zijn klauw
en drukte haar tegen zijn kiel.
Laat af, kreet het wicht,
ik ben reeds gezwicht,
trouw dra met een ridder uit Tiel.
Aha, riep de Rooie,
Dat wordt dus toernooien!
Ik lust hem die snoodaard in Tiel.
Hij steeg op zijn strijdros,
op hoofd helm en haardos
en ijskoude haat in zijn ziel.
De strijd zou beginnen,
een kon er slechts winnen,
ze stoven heel wild door het stof.
Graaf Eel ging verliezen,
zijn vijand moest niezen,
hatsjie, hatsjie, hij viel neer met een plof.
Van smarte doorboorde
de maagd toen ze het hoorde
heur hert met een dolke van staal.
Zij zeeg zacht en zoet,
in haar lieflijk bloed
en zweeg toen in elke taal.
Graaf Eelco kwam weder,
met zwaard en met speder,
trots op zijn paard, met open vizier.
Hij schrok, knielde neder
en kuste haar teder.
Maar het meisje bleef dood als een pier.
Maar zie: de rooie rabauw,
kreeg opeens toch berouw,
in tranen beklom hij zijn ros.
Hij groette de waard
en spoorde zijn paard.
Stierf later heel boetvaardig te Oss.
De jongen wacht
Ach, zegt de man, leuk? Hij lacht.
Dat verandert, telkens weer.
Nu is het duim omhoog en ommekeer.

maart 2022

Ontdek meer van joopbrussee.com
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.