rillingen
Menno ziet in de ogen dat ze denkt: weer geen bloemen. Sinds de opmerking op een dag na mijn dood heeft het geen zin meer ontstaat telkens weerzin de bloemenstal aan te doen op weg naar haar flat.

De stoel waarop hij zit dwingt hem naar een familiefoto te kijken. Daarop staat ze met man en twee kinderen. In dat huwelijk was ze gelukkig. Tenminste volgens haar. Toen deze vriendelijk glimlachende man overleed kwam zijn vader in beeld.
Zoals altijd wil hij zo snel mogelijk weg. Ze vraagt wat hij wil drinken. Terwijl zij naar de keuken loopt pakt hij de bovenste van een stapel kranten. Het bladeren geeft hem iets te doen. Leidt af van nieuwe verhalen over de familie. Wat hij leest dringt nauwelijks tot hem door.
Een vraag van haar over zijn leven komt er nooit. Zoals gebruikelijk zet ze een kop thee voor hem neer.
‘Ik doe mee aan een bijzonder project.’
Ze loopt naar haar stoel.
‘Een vriend, een vroegere toneelleraar heeft subsidie gekregen om een environment in een oude leegstaande melkfabriek op te zetten. Hij heeft mij gevraagd mee te doen.’
Ze lijkt niet te luisteren, gaat zitten zonder hem aan te kijken.
‘Met voorstellingen en films. Hij is leider van een toneelgroep. Onderwerp is de dood.’
‘De dood?’
Ineens heeft ze belangstelling.
‘Een toneelstuk in een oude fabriek?’
‘Ja, nee; ja, dat ook. Van alles. Toneel in een zaal, een levend dodenspel, films, een begraafplaats en een zelfmoord ruimte.’
Haar ogen worden groter.
‘Dagelijks een verse dodenkrant waarin bezoekers kunnen schrijven. Ervaringen, gedachten, noem maar op. James gaf mij twee plekken om in te richten, een crematorium en een lijkenboetiek.’
‘Wat……?’
‘Niet schrikken, allemaal speels bedoeld.’
Ze draait haar hoofd weg. Weet kennelijk niet te reageren.
‘Hij wil het taboe rond de dood en de angst daarvoor doorbreken. Liever geen bloemen gaat het heten.’
Ze doet haar best niet in zijn richting te kijken merkt hij. Dan, half mompelend:
‘Speels, over de dood zeg je?’
‘Ja.’
Menno merkt dat zijn ogen de foto weer opzoeken en vanzelf draait hij zijn hoofd door naar het raam.
Menno en James lopen in het centrum van de stad langs het water van een gracht. Het is een bewolkte dag aan het eind van de zomer. Het gebouw achter de schouwburg staat al jaren leeg, is rijp voor de sloop. Een maand zal hier het bijzondere evenement plaats mogen vinden.
Voor de ophaalbrug staan ze stil, kijken naar de troosteloze grauwe gevel, naar de graffiti op de muur en de vele ingegooide ruitjes.
James stapt als eerste de brug op waar hij een aantal verroeste fietsen die de toegang blokkeren opzij zet. Menno denkt aan zijn moeder. Aan de uitnodiging voor een bezoek aan dit project. Hoe zal ze reageren? Thuis werd nooit over dood en doodgaan gesproken.
Met een hoop geknars beweegt een van de twee metalen deuren een tiental centimeters, om daarna ineens door te schieten. Ze tuimelen naar binnen. Een grote stilte overvalt hen. Als was het de binnenkomst in een grote kerk.
Zwijgend, onder de indruk van de ruimte kijken ze rond. Scherven glas, flarden papier, hier en daar stukken stenen, kapotte deuren tegen een muur. Vervallen, precies wat James zich had voorgesteld.
In de verte ziet Menno verkleurde en geschilderde tegels, naast deels afgebrokkelde muren.
‘Het lijkt alsof het gebouw er voor gemaakt is’, fluistert James.
Menno slaapt bij hem, een week voor de opening. Stoned liggen ze naast elkaar in bed waar zijn vriend fantaseert.
‘Ik zie de happening voor me op de slotavond, afscheid van liever geen bloemen. Dat wordt een geweldige happening. Als in een grote kathedraal…….’
‘Bedoel je echt ……zoals in een kerk?’
‘Als een rups zie ik een processie door het gebouw slingeren. Brandende kaarsen, koorzang, kist uit de lijkkoets gaat jouw crematorium in……’
‘Ja, dat… dat gaat mooi worden. Wat je zegt klinkt katholiek. Mijn gereformeerde vader draait zich om in zijn graf als hij jou zo hoort praten. Zijn zoon vriendschap met een roomse man? Slapen bij hem……’
Een slappe lach volgt. Nahikkend draait Menno zich naar James, kijkt tegen zijn rug aan. Hij wil een arm om hem heen slaan, aarzelt. Doet het niet.
Een dag na de opening vertelt hij zijn moeder door de telefoon over zijn bijdrage aan de lijkenboetiek. Opengeknipte armen en benen van gips die hij uit een container bij het ziekenhuis had gevist.
‘Die lichaamsdelen zorgen voor decoratie, lichten op door het black light.’
‘Oh. Ja……’
Hij ziet haar verbaasde gezicht voor zich.
‘Dat crematorium is best lastig. Een hele constructie. Je moet komen kijken als het klaar is! Neem een vriendin mee.’
Een uur voor de afgesproken tijd zit Menno met Het Tibetaanse boek van leven en sterven bij de ingang naast een geparkeerde lijkkoets. Wat hij leest dringt niet tot hem door. Zacht, onafgebroken klinkt op de achtergrond een dodenmars uit de lijkkist die midden in het rijtuig staat.
Regen is voorspeld op deze winderige herfstdag. De beide grote deuren van de oude fabriek staan wijd open. Bladeren fladderen nu en dan naar binnen.
Plotseling ziet Menno zijn moeder aankomen. Ze is alleen. Hij zwaait, zet de stoel aan de kant. Ze leest hardop de tekst boven de ingang:
Het leven is de buitenkant van de dood.
‘Nu ga ik dus vrolijk de binnenkant in. Zonder bloemen’, leest ze geforceerd vrolijk.
‘Bang?’, zegt Menno glimlachend.
Er komt geen reactie. Samen passeren ze de lijkkoets.
In een korte galerij waar schilderijen hangen merkt Menno op dat dit taferelen zijn waarin de dood op een of andere manier te zien is. Hij gaat haar voor langs het kerkhof. Op de grond liggen oude deuren die schuin oplopen, bedoeld als graven.
Ze houdt in, buigt zich voorover om een grafschrift te lezen. Menno helpt:
‘Hier ligt Poot, hij is dood.’
‘Je vader……heb jij dat verzonnen?’
‘Nee, dit is een tekst van de dichter die hij tijdens zijn leven schreef, voor zijn eigen graf.’
Ze is al doorgelopen.
‘Drie mannen heb ik overleefd, je zou er bijna iets van gaan denken’, mompelt ze. Menno kijkt haar verrast aan en besluit de eerste van een serie voorgenomen vragen te stellen.
‘Waar ik al lang moeite mee heb ……. dat is … dat je niet op de begrafenis van mijn vader bent geweest…. waarom niet?’
Zwijgend loopt ze verder, hij volgt haar op de voet.
Ineens ziet Menno zichzelf lopen, achter zijn moeder en krijgt daarbij een rilling. Deze vrouw is een alledaagse bezoeker. Terwijl het zijn moeder is. Hij voelt geen band, geen verbondenheid, ….niets. Zou hij in het ziekenhuis verwisseld zijn? Maar, aan een vreemde vrouw zou hij zonder problemen een vraag stellen. Om de een of andere reden heeft hij bij zijn eigen moeder daar toch moeite mee. Alsof hij een horde moet nemen.
‘Wat is dat daar?’, ze wijst schuin omhoog.
‘Dat is de lijkenboetiek!’
‘O ja, daar vertelde jij over. Jouw werkstuk.’
Binnen geeft hij haar een ketting, waaraan een doodskopje hangt.
‘Alsjeblieft, voor jou. Als een herinnering aan… vandaag.’
Ze aarzelt. Dan zwaait ze er luchtig mee en stopt hem snel in haar handtas.
‘Speels toch? Leuk cadeau voor een van de kleinkinderen.’
Ze wandelen de zelfmoordruimte in, ooit kleedkamer voor het personeel dat werkte in de fabriek. De rijen lockers staan op hun oude plaats, met kastjes vol deuken en roestplekken.
‘Is dit de garderobe?’
‘Nou nee, dit is de kamer van James. Allemaal zijn idee.’
‘Oh. Die heeft ….zelfmoord gepleegd?’
‘Nee, nee, deze ruimte heeft hij ingericht!’
‘Achter elke deur bevindt zich een suggestie voor zelfdoding. Een foto, soms een miniatuur op de bovenste plank.
Ze verstart een moment.
‘Om iemand op een idee te brengen?’
Ze trekt met moeite een deur open die nogal knarst.
‘Nee.. ja, ik bedoel, het laat mogelijkheden zien…. wanneer je bij voorbeeld ….’
‘Nee maar! Dat is de locomotief van jouw broer!’
Menno drukt zich tegen haar aan om samen naar binnen te kijken. Ze doet direct een stap opzij.
‘Nee, nee. Dat is een speelgoedtrein van James, uit zijn jeugd.’
Een andere deur trekt Menno open en na een uitnodigend gebaar kijkt ze voorzichtig naar binnen. De hele achterwand is bedekt met een grote foto van de zee. Nu, denkt hij.
‘Herinner je je nog die keren in de keuken? Jij stond er altijd bij. Afkoelen zei Richard. Drukte mijn hoofd de spoelbak in……..’
‘Nee’, klinkt het, alsof ze zijn praten afsnijdt.
‘Panisch! Ik dacht echt dat ik door het water zou stikken. Een criminele actie. Als ik een moorddadige inslag had, leefde hij niet meer.’
‘Ja’, klinkt het ijzig kalm, ‘je broer heeft sadistische trekjes, ja.’
Ze draait weg van de kastenwand en kijkt naar de plek waar iemand iets kan schrijven voor de Dodenkrant.
‘Ik bedank voor nog meer suggesties. Is hier ook ergens iets te drinken?’
Zwijgend knikt Menno richting theehuis door James melkweg gedoopt. Hij pakt een krant en neemt zich voor beter te letten op de timing bij een vraag. Ze mag hem geen kans geven de mond te snoeren of een vraag ontwijken.
‘Je …hebt zo vaak heel negatief gezegd dat ik op mijn vader lijk. Was hij een vrouwenhater? Een moordenaar? Een pooier?’, hoort hij zich nogal geforceerd vriendelijk vragen.
‘Wat…hoe kom je daar nu ineens bij?’
Hij weet niet zo snel de wedervraag van haar terug te kaatsen. Zwijgend lopen ze de melkweg binnen.
Tegenover elkaar in grote kussens, bedekt met Perzische tapijten is het wachten op de bestelde thee. Menno glimlacht. Het is moeilijk uit de grote zachte kussens op te staan. Hij kan zwijgen en net zo lang wachten tot ze fatsoenlijk antwoord geeft op een vraag.
Zonder begin of eind vult de Javaanse gamelan muziek de ruimte. Kalm vertelt hij over de Dodenkrant van de vorige dag en legt er een op haar schoot.
‘Neem mee. Mensen schrijven van alles. Een bezoeker heeft als kind een moeder gehad die hem liever niet had zien komen……..’
‘Die thee smaakt lekker.’
‘Ja. Ik heb in dit nummer ook iets geschreven. Verlangen heet het.’
Na een korte pauze vervolgt hij zo vriendelijk mogelijk, ‘over de dood van mijn vader……dat mijn moeder niet op zijn begrafenis is geweest….dat ik nog steeds niet weet waarom.’
Ze kijkt rond, heeft ineens belangstelling voor bezoekers in haar buurt. Menno denkt aan een van de weinige foto’s van zijn vader, waarop hij vrouwenkleren draagt op een feestje.
‘Jij hebt meegeholpen aan de inrichting van deze theetuin?’, klinkt het.
‘Met suggesties. Ik had het druk met die lijkenboetiek en dat crematorium. Maar waarom…….’
Ze blaast in de thee.
‘Gisteren schreef iemand over gebrek aan moederliefde. Over een moeder die nogal onmenselijk een kind opvoedt zonder het aan te raken waardoor ……….’
‘Je vader had stemmingswisselingen, dat heb ik je zo vaak verteld.’
‘Is dat alles wat je kan vertellen? Was hij een travestiet?’
‘Nee, het was …. een man….nou ja heel moeilijk voor zichzelf.’
‘Dus als ik een vraag stel ben ik ook………moeilijk?’
Ze grabbelt in haar handtas.
‘Dat crematorium is hier toch vlak bij?’
‘Ja.’
Menno vertelt over die plek en denkt: daar komt ze tot rust en stel ik de belangrijkste vraag.
Zodra ze op de plank ligt sluit ze de ogen. Menno schuift haar door het gat in de muur de fake oven in en rent daarna snel naar de achterzijde. De assistent die bezoekers opwacht knikt en begrijpt dat Menno de opvang van hem overneemt.
Geamuseerd stapt zijn moeder van de plank.
‘Even schrikken. Maar: heerlijk warm! O, twee straalkachels zie ik!’
De opgestoken hand van Menno om haar bij het opstaan te helpen wimpelt ze weg, schudt met haar hoofd. Voor de folders aan de muur over crematie heeft ze geen belangstelling. Geen interesse voor andere ruimten. Ze zegt voldoende meegemaakt te hebben.
Teleurgesteld loopt Menno naast haar richting uitgang. Bij de lijkkoets zien ze dat het buiten is gaan regenen.
Hij nodigt haar uit op de bok te zitten. Boven schuift ze onmiddellijk iets opzij.
In een flits ziet hij de foto voor zich aan de muur in haar kamer, schraapt zijn keel.
‘Wat ik je al lang….….’
Een schor geluid volgt. Zijn keel zit dicht. Uit zijn ooghoek ziet hij dat ze weer eens grabbelt in haar tas. Na een paar keer slikken en een diepe ademhaling, klinkt het zacht:
‘Ik wil ..vragen …. was je blij dat ik geboren werd?’
Ze kijken beide recht vooruit. Er valt een lange stilte.
‘Is het daarom ……. dat je me nooit …….. ?’
Hij wil over liefde beginnen, over zijn verlangen geknuffeld te worden. Over zijn vader die hem een keer liefdevol aanraakte. Maar iets in zijn keel belet dat.
In stilte staren ze naar buiten, naar een gordijn van regen.
Twee meisjes verschijnen op de brug. Door de wind klapt de paraplu tussen hen in omhoog. Zodra het tweetal binnen is passeren ze giebelend de koets.
Menno ziet dat zijn moeder vriendelijk knikt naar deze bezoekers alsof ze als actrice onderdeel vormt van dit dodenhuis.
Aan de overkant van de gracht ziet ze haar transport aankomen. Hij wil helpen, springt van de bok.
‘Doe geen moeite, ik red me.’
In de deuropening haalt ze uit haar tas een paraplu die ze wil openvouwen.
‘Zal ik….’
‘Niet nodig. Die brug kom ik alleen wel over.’
Nu denkt Menno, vooruit! Als toetje, gepaste afscheidswoorden……!!
‘Het is …..wachten op jouw dood……’
Direct, zonder het hoofd naar hem toe te draaien klinkt het nadrukkelijk:
‘Mijn dood? Denk je dat zoiets werkelijk verandering brengt?’
Ze duikt onder de uitgeklapte paraplu.
Verbijsterd staart Menno haar na. Ze was zelfs niet verrast. Waar ……. zit haar gevoel? Ze lijkt…..heeft ze?
Hij loopt langzaam richting lijkwagen, waar James naast staat.
‘Jouw moeder…?’
Menno knikt, staart naar de Dodenkrant die ongeopend op de bok ligt.
‘Is ze die vergeten? Ze kan niet ver zijn Ga haar achtera!’
Even aarzelt hij. Dan schudt hij zijn hoofd. Steeds heftiger.

mei 2020
uit:
Stil
binnen de familie

Ontdek meer van joopbrussee.com
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.