verhaal
Samen met James loopt Andy langs een gracht in het centrum van Amsterdam. Het is een bewolkte dag aan het eind van de zomer. De fabriek achter de schouwburg staat al jaren leeg, is rijp voor de sloop. Liever geen bloemen, een environment over de dood heeft subsidie gekregen.

Voor de ophaalbrug staan ze stil, kijken naar de troosteloze grauwe gevel, naar de graffiti op de muur en de vele ingegooide ruitjes. De gemeente zoekt nog steeds naar een bestemming.
James stapt als eerste de brug op waar hij verroeste fietsen die de toegang blokkeren opzij zet. Andy denkt aan zijn moeder. Aan een uitnodiging. Komt ze? Hoe zal ze reageren? Thuis werd nooit gesproken over dood en sterven.
Met veel geknars beweegt een van de twee metalen deuren een tiental centimeters, om daarna in een keer een stuk door te schieten. Samen tuimelen ze naar binnen. Stilte overvalt hen. Als bij de binnenkomst in een grote kerk.
Zwijgend, onder de indruk van de gigantische ruimte kijken ze rond. Scherven glas, flarden papier, hier en daar stukken stenen, kapotte deuren tegen een muur. Het gebouw is duidelijk al jaren vervallen, precies wat James zich voorstelde. Andy’s blik blijft rusten op verkleurde en geschilderde tegels naast deels afgebrokkelde muren.
‘Het lijkt alsof het gebouw voor ons project is gemaakt’, fluistert James.
Een dag na de opening belt Andy zijn moeder. Vertelt over zijn bijdrage aan de lijkenboetiek, over opengeknipte armen en benen van gips die hij uit een container bij het ziekenhuis had gevist.
‘Decoratie, ze lichten op door black light.’
‘Oh. Ja.’
Ze weet duidelijk niet hoe te reageren. Hij vindt het jammer dat ze hem niets vraagt.
‘Dat crematorium wordt lastig, een hele constructie. Kom kijken als het klaar is!’
Een uur voor de afgesproken tijd zit Andy met Het Tibetaanse boek van leven en sterven bij de ingang naast een geparkeerde lijkkoets. Wat hij leest dringt niet tot hem door. Hij herhaalt in zijn hoofd de vragen die hij aan zijn moeder zal stellen. Over zijn leven en zijn poging daar een eind aan te maken. Het gevoel dat ze altijd uitstraalt. Alsof hij niet echt bestaat.
Zacht, onafgebroken klinkt op de achtergrond een dodenmars uit de lijkkist midden in het rijtuig. Andy kijkt op. Regen is voorspeld op deze winderige herfstdag. De beide grote deuren van de oude fabriek staan wijd open. Bladeren fladderen nu en dan naar binnen.
Plotseling ziet hij zijn moeder aankomen. Ze is alleen. Hij zwaait, zet de stoel tegen de muur. Hardop leest ze de tekst boven de ingang:
Het leven is de buitenkant van de dood.
‘Nu ga ik de binnenkant in’, zegt ze geforceerd vrolijk, ‘zonder bloemen.’
‘Bang?’, zegt Menno glimlachend. Eindelijk is er een gelegenheid haar echte vragen te stellen.
Samen passeren ze de lijkkoets.
In een korte galerij waar schilderijen hangen merkt Andy overbodig op dat dit taferelen zijn waarin de dood op een of andere manier te zien is. Hij gaat zijn moeder voor dwars door het kerkhof. Op de grond liggen als grafstenen oude deuren met verschillende teksten. Ze houdt in, buigt zich voorover. Andy helpt:
‘Hier ligt Poot, hij is dood.’
Na een korte glimlach kijkt ze serieus.
‘Dat heb jij zeker verzonnen.’
‘Nee, een gedacht van de dichter………’
Ze is al doorgelopen. Andy sluit snel aan en besluit de eerste vraag te stellen.
‘Waar ik tijdens het werken aan dacht ……. dat is … dat je niet op de begrafenis van mijn vader bent geweest…. waarom niet?’
Een reactie blijft uit.
Ineens ziet Andy zichzelf lopen, netjes achter zijn moeder en krijgt een rilling. Deze vrouw voelt als een vreemde, een alledaagse bezoeker! Terwijl het zijn moeder is. Er is niets, geen band, geen gevoel van verbondenheid. Zou hij in het ziekenhuis verwisseld zijn? Hoewel…. aan een vreemde vrouw zou hij toch zonder problemen elke vraag kunnen stellen. Waarom heeft hij bij zijn eigen moeder daar zoveel moeite mee? Alsof er een horde moet worden genomen.
‘Wat is dat daar?’, ze wijst schuin omhoog.
‘Dat is de lijkenboetiek!’
‘O ja, daar vertelde jij over. Van jou.’
Binnen geeft hij haar een ketting, waaraan een doodskopje bungelt.
‘Alsjeblieft. Als een herinnering aan… ..vandaag.’
Ze aarzelt.
‘Je lijkt op je vader. Net zo morbide.’
‘Maar…..’
Ze aarzelt voor de trap naar de boetiek en besluit een ruimte in te lopen waar rijen verroeste lockers staan vol deuken en roestplekken.
‘Is dit de garderobe?’
‘Nou nee, dit is de zelfmoordruimte, een kamer van James. Alles naar zijn idee.’
‘Oh. Die heeft ….zelfmoord gepleegd….?’
‘Nee, nee, ingericht! Achter elke deur bevindt zich een suggestie voor zelfdoding. Een foto, soms een miniatuur op de bovenste plank.
Ze verstart een moment.
‘Om iemand op een idee te brengen?’
Met moeite trekt ze een deur open die akelig knarst.
‘Nee.. ja, ik bedoel, het laat mogelijkheden zien…….’
‘Nee maar! Dat is …….!’
Andy drukt zich tegen haar aan en om samen naar binnen te kijken. Ze doet direct een stap opzij.
‘Dit is de speelgoedtrein van James, uit zijn jeugd.’
Ze kijkt naar de plek waar een stapel kranten liggen. Andy vertelt dat bezoekers iets kunnen schrijven voor de Dodenkrant die dagelijks gedrukt wordt.
‘Is hier ook ergens iets te drinken?’
Zwijgend knikt Andy richting theehuis door James melkweg gedoopt. Hij pakt een krant en denkt: tijd voor een volgende vraag. Ze mag hem geen kans geven de mond te snoeren of ontwijken zoals gewoonlijk.
Zwijgend lopen ze de melkweg binnen.
Tegenover elkaar in grote kussens, bedekt met Perzische tapijten krijgt Andy’s moeder de thee geserveerd. Hij glimlacht. Het is moeilijk uit de grote zachte kussens op te staan. Hij kan hier rustig blijven zwijgen en net zo lang wachten tot ze fatsoenlijk antwoord geeft op een vraag van hem.
Zonder begin of eind vult de gamelan muziek de ruimte. Kalm vertelt hij over de Dodenkrant van de vorige dag en legt er een op haar schoot.
‘Neem mee. Mensen schrijven van alles. Toevallig schreef in deze krant van gisteren een bezoeker een verhaal over zijn moeder die hem liever niet had zien komen……..’
‘Die thee is heerlijk.’
‘Ja.’
Anday denkt: nu is de tijd om over mijn vader te beginnen. Ik begrijp nog steeds niet waarom zij niet op zijn begrafenis kwam. Beide zeggen niets en Andy voelt iets vreemds van binnen. Hij is alle vragen die hij had ingestudeerd over zijn vader vergeten. Het maakt ook allemaal niet meer uit. Waarom doet hij zo moeilijk over een man die abijna tien jaar geleden uit zijn leven verdween? Hij kijkt haar aan. Een kort moment ontmoeten hun ogen elkaar.
‘Jij hebt ook meegeholpen aan de inrichting van deze theetuin?’
‘Met suggesties. Ik had het druk met die lijkenboetiek en dat crematorium.’
‘Dat crematorium is hier vlak bij?’
‘Ja.’
Met moeite wurmt ze zich omhoog uit de kussens.
Zodra ze op de plank voor de oven ligt sluit ze de ogen. Andy schuift haar door het gat in de muur en rent daarna snel naar de achterzijde. De assistent die bezoekers in een ruimte met rood licht opwacht knikt. Andy neemt het van haar over. Zijn moeder stapt glimlachend van de plank.
‘Even schrikken, maar ik moet zeggen: heerlijk warm! Oh…. ik zie het …een straalkachel!’
De opgestoken hand om haar bij het opstaan te helpen wimpelt ze weg, schudt met het hoofd. Voor de folders aan de muur over crematie heeft ze geen belangstelling. Interesse in andere ruimten blijft uit. Ze zegt voldoende meegemaakt te hebben.
Teleurgesteld loopt Andy naast haar richting uitgang. Bij de lijkkoets zien ze dat het buiten is gaan regenen. Hij nodigt haar uit op de bok plaats te nemen. Boven trekt ze haar rok naar zich toe en schuift iets van haar zoon weg. Andy schraapt zijn keel. Nu..nu, denkt hij.
‘Wat ik je al lang….….’
Zijn stem klinkt schor en zijn keel lijkt dicht te zitten. Uit een ooghoek ziet hij dat ze weer eens grabbelt in haar tas. Na een paar keer slikken en een diepe zucht, klinkt het nauwelijks hoorbaar:
‘Ik wil ..vragen …. was je blij dat ik …..geboren werd?’
Ze kijken beide recht vooruit. Er valt een lange stilte.
‘Is het daarom ……. dat je me nooit …….. ?’
Hij wil over liefde beginnen, over zijn verlangen. Dat ze hem nooit wilde aanraken. Nooit een knuffel. Alsof hij melaats is. Iets blokkert het geluid uit zijn keel.
Ze staren zwijgend naar buiten, naar een gordijn van regen.
Twee meisjes verschijnen op de brug. Door de wind klapt de paraplu tussen hen in omhoog. Binnen passeren ze giebelend de koets. Andy ziet zijn moeder vriendelijk naar de meisjes knikken alsof ze als actrice onderdeel is van dit dodenhuis.
‘Daar komt mijn transport aan!’
Hij wil helpen en springt van de bok.
‘Doe geen moeite, ik red me Andy.’
In de deuropening haalt ze uit haar tas een paraplu.
‘Zal ik….’
‘Niet nodig. Die brug kom ik alleen wel over.’
Zal ik, denkt Andy, toch nog……
‘Het is …..het is wachten op jouw dood……’
Zonder het hoofd naar hem toe te draaien klinkt het losjes:
‘Mijn dood? Denk je dat daarna iets verandert?’
Ze duikt onder de uitgeklapte paraplu.
Verbijsterd staart Andy haar na. Ze leek zelfs niet verrast door zijn vraag. Waar is……. haar gevoel? Ze lijkt…..heeft ze?
Langzaam loopt hij richting lijkwagen, waarnaast James staat.
‘Dat was jouw moeder…?’
Andy knikt, staart naar de Dodenkrant die ongeopend op de bok ligt.
‘Oh. Is ze die vergeten? Ze kan niet ver zijn!’
James pakt de krant en geeft hem aan Andy.
Even aarzelt hij. Dan schudt hij zijn hoofd, steeds heftiger en voelt zijn ogen nat worden.

mei 2020
uit: Lef
opvallende momenten

Ontdek meer van joopbrussee.com
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.