Knel

testcase

Het grootste deel van de treinreis vanuit Leiden loopt dwars door weilanden. De opgedane kennis in de studie voor schoolmeester ga ik in praktijk brengen. In Eindhoven.
De kennismaking met de kinderen van de vierde klas is voor de vakantie gebeurd.

De eerste werkdag begint verre van rustig. Ik denk: hebben de kinderen deze chaos vooraf afgesproken? Het is een grote puinhoop in het lokaal. Een speeltuin waar redelijk wild van alles door elkaar gebeurt. Niemand let op mij. Alsof ik er niet ben.
Ik kijk naar vliegtuigen. Verbijsterd en radeloos. Nooit had ik tijdens stages een orde probleem. Wat heb ik daar ook alweer over geleerd?

Het speelkwartier geeft lucht. Met een warm hoofd sluit ik in de gang voorzichtig aan bij twee collega’s die voor een venster de kinderen op de speelplaats in de gaten houden.
Ik vang flarden op van een gesprek over het hoofd van de school die vorig schooljaar is aangesteld. Het is duidelijk dat ze vinden dat hij op deze school niet thuishoort. Ze maken grappen over hem.
Ik wacht geduldig op een gelegenheid in te breken en het tweetal om advies te vragen om de kinderen rustig te krijgen.

Plotseling zie ik door de ruit een meisje uit mijn klas komen aanrennen. Hijgend, met een hoogrode kleur roept ze opgewonden:
‘Meester, ze hebben mijn knel afgepakt!!!’
Ik heb geen idee wat een knel is. De twee collega’s houden op met praten. Ze hebben de vraag ook gehoord. Ongetwijfeld nieuwsgierig wat ik zal doen.

Het is een teken van zwakte wanneer ik nu ga vragen wat een knel is vind ik. De aanwezigheid van het tweetal voelt als een test, een examen dat bepaalt of zij mij in het kamp van het hoofd gaan indelen of bij hen.
Ik doe de deur open.
Wie heeft die knel afgepakt?’
Het meisje draait weg en wijst in de verte, noemt een naam.
Losjes wenk ik in die richting en hoop dat iemand wil verschijnen. Een oudere jongen komt op zijn gemak naar ons toelopen, handen op de rug. Zo krachtig mogelijk zeg ik tegen hem:
‘Geef die knel terug!’

Intussen ben ik razend benieuwd wat een knel is. Vanachter de rug van de jongen verschijnt langzaam een priktol.
In deze streek, vertellen later de collega’s wordt het woord knellen gebruikt om een tol met een draadje eromheen weg te werpen.
Opgelucht vertel ik het tweetal over de chaos van die ochtend in de klas. Zij geven waardevolle aanwijzingen.
Het contact met dit duo zorgt voor zelfvertrouwen. De orde in de klas komt stap voor stap op een prettige manier tot stand.

Op de laatste schooldag van het jaar wandel ik tijdens het speelkwartier met het hoofd van de school op het plein tussen knellende kinderen. De brave en vriendelijke man worstelt nog steeds met de vraag hoe hij met sommige personeelsleden om moet gaan. Probleem voor mij is dat hij duidelijk een ander soort gevoel voor humor heeft.
Plotseling vraagt hij:
‘Ben je door het rekenboekje gekomen?’
‘Jazeker’, is mijn reactie, ‘maar of ze iets geleerd hebben weet ik niet.’
Zwijgend lopen we verder tussen spelende en joelende kinderen. 

mei 2022


uit: Los
leve de anekdote

 


Ontdek meer van joopbrussee.com

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.