bezoek aan vriend
1
Bij het busstation ziet Tom zijn vriend van vroeger aankomen. Ze rijden in de pick-up over de grote weg naar zijn huis niet ver van de jungle.
Tijdens de rit passeren ze een bord waarop een olifant staat afgebeeld.

‘Soms wil een groep wel eens hier oversteken in de tijd dat ze honger hebben.’
Tom trekt zijn wenkbrauwen op, weer niet hierop te reageren.
‘Sinds kort staat deze waarschuwing hier. Op ’t moment hoef je niet bang te zijn. Ze hebben genoeg te eten in de jungle wat verderop.’
Ze rijden langs een strook groene struiken en droge stukken grond aan beide kanten van de weg.
‘Ben je hier nooit bang voor een gevaarlijk beest?’
‘Dieren? Nee. Ok. Voor een olifant …. Nee. Voor de een blijf je staan en voor een ander let je extra op. Leuk trouwens dat je dat vraagt.’
‘Hoezo?’
‘Vroeger in het vaderland werd ik steeds bang of misselijk bij de gedachte aan bepaalde beesten.’
‘Oh. Welke?’
Hij glimlacht, kijkt kort naar een dode hond langs de kant van de weg.
‘Mensen kunnen braaf zijn of heel gevaarlijk.’
Dan zwijgt de chauffeur, om wat later te vervolgen:
‘Kijk, hoe meer de overheid zegt regels in te voeren voor jouw veiligheid hoe onveiliger ik mij ga voelen. Als je daarover nadenkt wordt het duidelijk dat zij het liefst burgers hebben die zich als brave dieren gedragen. Dus doen ze er alles aan, vanaf de geboorte je in een vangnet te houden.’
‘Wacht even…… denk je dat…… echt? ‘
‘Je moet dit en dat leren, zus en zo doen, wil je een goed cijfer krijgen. Beloningen op hun manier. Je natuurlijk gedrag wordt vanaf het begin de kant op gestuurd die zij willen.’
Hij ziet Tom’s gefronste wenkbrauwen en vervolgt lachend:
‘Zo ken je mij niet. In jouw ogen veranderd. Neem veiligheid, al die camera’s. Als je goed oplet: ze praten voortdurend over gevoel van veiligheid. Schijnveiligheid dus. Marketing, allemaal mooie praatjes.’
Tom is verrast en kijkt uit het raam.
‘Nu leef ik duidelijk, direct, zonder druk, zonder mallen, verplichte patronen. Niks toezicht, niks oppassen met kreten als mogelijk zou het of nog bedrieglijker het ligt voor de hand dat….vul zelf maar aan. Voortdurend word je ergens ingepropt, begin je zelfs in die woorden te geloven. Neem van mij aan, die gezagsdragers weten hoe ze het leven van mensen in hun hand moeten houden. Samen met grote bedrijven en banken maken ze je afhankelijk. Heel gevaarlijk.’
‘Hoezo?’
‘Nou, je hebt dus het gevoel te leven.’
‘Wat is dan volgens jou, het echte leven?’
‘Het echte leven? Hier, in en rond de jungle. Ik maak mijn eigen cultuur met mensen en omgeving. Die fake wereld is in handen van de commercie gekomen, vals….. onecht. Leidt tot uitwassen, corruptie, smerige spelletjes en ga zo maar door.’
Hij is gevlucht uit zijn vaderland, denkt Tom.
‘Je denkt zeker dat ik gevlucht ben.’
Tom knikt en lacht.
‘Denk wat je wilt. Een mens heeft iets dat met aanvoelen van veilig of onveilig te maken heeft. Met elke camera die verschijnt proberen ze dat uit je te halen. Anders gezegd: meer controle over jou te krijgen.’
Opnieuw knikt Tom. Er zit zeker iets in wat hij zegt.
‘Hier bepaal ik mijn manier van leven. Hoef geef polis van een verzekering wanneer ik teveel scheten laat. Hier kies ik bij wie of wat ik uit de buurt blijf. Stimuleer juist mijn eigen controle dienst.’
Hij grinnikt. Tom denkt: hij wil autonoom zijn. Zo dicht mogelijk bij de natuur. Totaal anders dan in de stad waar ik woon.
Hier leef je met natuurkrachten en overstekend wild.
‘Er zijn toch wel beesten of ….dieren waar je bang voor bent?’
Zijn vriend schudt het hoofd.
‘Slangen?’
‘Nee. Ik zou als ik jou was bang zijn voor die slangenkuilen op het kantoor waar je werkt!’
‘Muggen?’
‘Wil je me zogenaamde medicijnen voorschrijven waar veel geld mee wordt verdiend en die ronduit slecht zijn voor mijn lichaam ?’
‘Spinnen?’
Als antwoord krijgt hij een schaterlach.
‘Die rennen hard voor je weg jongen. Sommigen zijn zo groot als een vuist, die blijven stil zitten wanneer je ze betrapt. Wachten keurig tot jij iets doet of ….niet.’
Nog nooit heeft Tom hem zo ontspannen zien praten.
‘Komt er wel eens een schorpioen je huis in?’, vraagt hij en denkt aan de keer dat hij in de Provence ’s morgens behoorlijk schrok van een grote zwarte schorpioen in de witte wasbak.
‘Ach, die zitten hier en daar. Een tijdje geleden kreeg ik een steek bij het oppakken van een steen. Eronder zat ie.’
‘En jij voelt je veilig?’
Een gat in de weg zorgt voor een flinke stoot. Tom gaat rechtop zitten.
‘Aan zo’n beet van een schorpioen ga je niet dood. Wel behoorlijk pijnlijk. Drie dagen. Ach, dieren horen bij het leven. Ze geven minder problemen dan die gevaarlijke mensenbeesten rond jou waarover ik vertelde, geloof me. Je moet trouwens straks niet schrikken van al die spinnenwebben in de keuken.’
Verbaasd kijkt Tom hem aan.
‘Spinnen vangen muggen. Die vliegende gluiperds houden ook nog eens van mijn bloedgroep. Ja, risico’s. Maar dat uitvoerend gevaarlijk tuig bij jou met regels en maatregelen beloven voortdurend risico’s te verminderen. Onzin. Meer controle willen ze!’
Hij lacht uitbundig.
‘Al die volksverlakkerij. Ze moedigen consumeren aan en medicamenten te kopen onder druk van multinationals.’
Ze naderen het park. Hoe het zou zijn om in deze warme wereld te leven, in de hitte inplaats van in het koele westen denkt Tom. Zou hij ook zo willen leven?
Vlak bij het huis, omringd door bomen die zorgen voor aangename schaduwen, stappen ze uit. Zijn vriend vertelt dat vorige week de hond gestorven is, hoeveel pijn hem dat heeft gedaan.
‘Met het begraven van het trouwe dier gingen veel tranen mee het graf in.’
Tom trekt zijn bagage uit de bak en laat dat achter op het terras. Daarna wandelt hij achter zijn vriend de keuken in. Direct vallen hem de spinnenwebben op.
Een glas koel water wordt voor hem op tafel gezet. Een vliegenmepper ligt naast een halve bol van gaas, duidelijk bedoeld om eten af te schermen voor insecten. Na een paar slokken wijst Tom naar het gaas.
‘Oh. Ja, op bepaalde dagen zie je veel vliegen. De ordinaire vlieg die jij ook kent heb ik tot mijn vijand benoemd.’
‘Vijand? Je bent bang voor een vlieg?!’
Hij grinnikt.
‘Nee, maar ze zijn irritant. Vaak sla ik mis maar het gedrag van deze tegenstander ken ik zo langzamerhand vrij goed: hij komt meestal later op dezelfde plek terug. Dan kom ik in actie.’
De gedachte aan overstekende olifanten levert Tom meer vrees op dan een vlieg. Hoe anders is dat leven hier. Het lijkt om een totaal ander leven. Respect voor de natuur? Voor alle dieren? Is hij in reincarnatie gaan geloven?
Wanneer hij daarover een vraag wil stellen ziet Tom plotseling een vlieg op tafel landen. Zijn vriend grijpt de mepper.
‘In de aanslag!’
Tom ziet hem verstarren, doodstil in een houding staan.
‘Soms denk ik dat ze uit een andere wereld komen om ons in de gaten te houden’, fluistert hij zonder zijn hoofd te bewegen.
Ineens is vlieg weer verdwenen.
Terwijl hij naar buiten kijkt herinnert Tom zich een filmpje van jaren geleden waarin te zien was hoeveel technisch al mogelijk is: een drone als camera zo groot als een vlieg, op afstand te bedienen. Kan overal eenvoudig binnenvliegen en spioneren.
‘Leven is overleven’, klinkt het achter zijn rug.
Tom wil een slok water nemen en ondanks dat hij weet dat de klap eraan komt schrikt hij toch.
2
Na ruim een jaar is hij weer terug in de warmte van de tropen. Tom voelt zich direct op zijn gemak.
Kleurde vorig jaar de natuur bruin door een lange droge periode, nu is het extreem groen, waar je ook kijkt.

‘Veel regen dit jaar, het weer blijft onvoorspelbaar.’
Tom knikt. Zijn vriend vervolgt:
‘Elke dag is het weer een verrassing. Al die computermodellen, ze spreken elkaar voortdurend tegen en kloppen zelden. Kijk naar de lucht en leef mee met wat er komt. Maar leuk om je weer te zien makker.’
Het bord met die overstekende olifant ontgaat Tom dit keer niet.
‘Je schreef dat je na wat leeswerk nu iets meer van de jungle begrijpt.’
‘In die waan leefde ik even, ja. ‘
In werkelijkheid was Tom direct weer teruggevallen in het oude patroon van de volle agenda. Maar hij besluit daarover zijn mond te houden.
‘Je bent even uit jouw stadsjungle gevlogen.’
Ze lachen. Hij gebaart naar de vele bomen langs de weg.
‘Uit de periode in de gemeenteraad, alweer lang geleden herinner ik me een voorstel tot verbreding van een provinciale weg. Veel bomen moesten daarvoor gekapt. Ik zag dat helemaal niet zitten. Met mij veel mensen niet en een meerderheid van de raadsleden. We hadden geen behoefte aan een verbreding. Trekt alleen maar meer verkeer aan. Maar goed. Protesten rolden binnen. Zelfs een aantal demonstraties!’
‘Dat hielp……’
‘Die weg kwam er gewoon’, grinnikt hij.
‘O ja? Maar, jij…..’
‘Ach, zonder dat te weten werden stoplichten op een kruispunt zo afgesteld dat er voortdurend files ontstonden. Kwam ik later achter. Op die manier werd een probleem gemaakt. Dat moest opgelost worden. En raad eens ….. ineens is een meerderheid van mijn collega’s voor dat kappen. Ra, ra hoe kan dat?’
‘Maar je ….’
‘Te laat. Het bleef onder de pet hoe dat precies is gegaan. Zoiets zou nu complot denken worden genoemd wanneer je daar over begint begrijp ik.’
Hij kijkt Tom aan en glimlacht.
‘In die periode ontdekte ik dat mijn denken al gestuurd werd. Min of meer gedwongen moest ik voorlichters geloven. Blind vertrouwen te hebben in uitkomsten van allerlei onderzoeken. Ondersteund met tabellen en cijfers.’
‘Door jullie betaald?’
Opnieuw lachen ze uitbundig.
‘Ik had toen geen tijd om erachter te komen hoe geldstromen precies liepen. Wel kreeg ik twijfels… argwaan. Ook aan uitspraken van journalisten en zelfs die van rechters.’
‘Zozo, dus toen kwam dat gevoel van een westerse jungle naar boven of ……..hoe zeg ik dat…..daalde naar beneden.’
Tom krijgt een vermoeden waarom zijn woonplaats nu hier is.
‘Dacht je op dat moment: dan liever de echte jungle in?’
Zijn vriend houdt zijn stuur losjes vast, kijkt recht vooruit en blijft zwijgen.
We draaien het park in. Tom neemt zich voor tijdens dit bezoek aan de weet te komen wat de druppel voor hem was om een compleet andere wereld op te zoeken.
Bij een vijver stopt de auto. Even later staan ze voor de rand van een vijver en zien veel bladeren die elkaar lijken te verdringen om iets van zonlicht op te vangen.
Mijn vriend wijst naar een paar bloemen en plukt er een.
‘Alsjeblieft, kijk eens naar die kleuren.’
‘Prachtig!’
Snel dwalen Tom’s ogen naar de vele groene bladeren die het water bedekken. Vervolgens kijkt hij naar de omgeving. Dat ontgaat zijn vriend niet.
‘Kijk eens wat langer naar die bloem. Neem de tijd de kleuren te zien, de echte schoonheid tot je door te laten dringen. Stel je daarvoor open.’
Een vreemd verzoek. Het kost Tom moeite. Telkens willen zijn ogen weg.
Zijn vriend zegt niets, blijft naast hem staan.
Langzaam dringt het tot Tom door wat hij bedoelt. Hij dwingt zich naar de bloem te blijven kijken. In het binnenste ziet hij steeds meer kleuren. Inderdaad pure schoonheid!
Met alleen het geluid van vogels en voelt hij zich ineens leeg. Mist een aanwijzing, een commentaarstem zoals bij een film waar hij op iets gewezen wordt. Sturing van buitenaf. Nog steeds zwijgt zijn vriend, dwingt hem de verfijning te zien.
Tom voelt zich onhandig met de bloem in de hand. Ineens dienen zich veel vragen aan.
Is hij soms al een geprogrammeerd stadsmens? Bang geworden voor stilte? Een oppervlakkig levende consument? Als schaap voortdurend suggesties nodig om te kunnen leven? Een stadsjunk?
‘Je vertelt dat je door het bezoek van de vorige keer meer met de natuur bezig bent. Wat moet ik me daarbij voorstellen?’, klinkt het plotseling naast hem.
Het lijkt of zijn vriend een val voor hem heeft opgezet. Hij voelt zich snel heel ongemakkelijk.
‘Flauw. Kom op Tom. Ik sta hier niet om je belachelijk te maken. Na het zien van die prachtige bloem wil je ongetwijfeld iets drinken. En je bent moe van de reis.’
Onhandig staat hij met de bloem in de hand. Zal hij hem meenemen? Weggooien in het water tussen de bladeren?
Ze lopen richting het huis. Achteloos laat Tom de bloem achter zijn rug vallen.
Zijn superieur gevoel van stadsmens boven een provinciaal heeft zich in korte tijd omgedraaid.
Later drinken ze koel bier op een van de terrassen. Zijn vriend vertelt over de vogels en de veranderingen die hij in het park heeft aangebracht. Geeft enthousiast informatie over zijn groentetuin. Van een pauze maakt Tom gebruik.
‘Wanneer kwam het idee bij je op het kikkerland te verlaten? Was dat in de tijd dat je in die gemeenteraad zat?’
Zwijgend drinken ze bier.
‘Op een dag stond ik in de keuken voor drie vellen papier, op de muur geplakt. Rood, oranje en groen, allemaal met E nummers. Staan als kleine lettertjes op allerlei producten. Moet je een heel goed gezichtsvermogen voor hebben.’
‘Ja, veel te klein om snel even te lezen’, zegt Tom met opkomende irritaties.
‘Dat is de bedoeling ja. Deze gedachte kwam toen op: in wat voor krankzinnige wereld leef ik? Een dagtaak heb je om te achterhalen hoe je een klein beetje gezonder kan leven? Waar ben ik mee bezig? Ik lijk wel gek.’
Hij schudt zijn hoofd.
‘Dus je ging biologisch …..’
‘Dat was een tussenfase. Inmiddels is dat ook een industrie geworden vermoed ik.’
‘Met belangen…….’
‘Ongetwijfeld.’
Tom’s gedachten dwalen af naar een vakantie in Frankrijk. Het sproeien met gif op appels. Die gifspuiter ziet hij voor zich. De man had een witte overal aan dat leek op een ruimtepak.
Vanaf dat moment schilde hij elke appel, ook al had hij ergens gelezen dat daarmee belangrijke voedingsstoffen verdwijnen.
‘Ja en toen trok ik in een keer die E velletjes van de muur en nam me voor op mijn eigen manier te gaan leven.’
‘Maar….’
‘In plaats van gedwongen worden hoe en wat te denken. In goed voor jou of fout. Voor laten schrijven ….. wat je mooi moet vinden.’
Tom ziet meteen weer de bloem voor zich. Oog hebben voor details. Zonder aanwijzingen. Zonder bril. De tijd nemen.
‘De overheid kiest voor het verdienmodel van de industrie, niet voor de gezondheid van zijn burgers. Als kind op school krijg je romantische verhaaltjes over de natuur te horen, je leert iets over hoe je lichaam er van binnen uitziet. Maar….informatie over gezond leven? Over die eindeloze variaties aan chips in schappen waar je later ziek van wordt en wel medicamenten moet gebruiken volgens dokters.’
Tom knikt. De maatschappij is een rare dierentuin geworden. Steeds grotere bedrijven voeden ons op onnatuurlijke wijze.
‘Als je zelf op een dag nadenkt, dan besef je: er klopt iets niet in zo’n samenleving. Iets fundamenteels niet.’
De vijver! Tom krijgt ineens zin terug te lopen en opnieuw naar die bloem te kijken.
‘De consumptie cultuur waarin jij leeft is een verkeerde weg ingeslagen.’
‘Hoe weet je dat? Jij leeft daar niet meer in.’
Zijn vriend haalt de schouders op.
‘Denk erover na: je krijgt zelfs straf in de vorm van extra belasting wanneer je gezond wilt leven.’
Een moment kijken ze elkaar aan en openen dan tegelijk de mond:
‘Be-lang-en ….. strijd’, waarna ze in de lach schieten.
‘Weet je nu hoe ik tot het besluit kwam de regie over mijn leven in eigen hand te nemen Tom? Hoe ik niemand meer duld die de rest van mijn leven nog autoriteit over mij speelt?’
Hij knikt, blijft verlangen naar de bloem bij de vijver. De strijd om zonlicht te zien van al die bladeren.
‘Niemand verbiedt mij uit de jungle te eten. Ik heb hier nog nooit een E nummer zien oversteken.’
Tijdens een typisch tropische snelle zonsondergang drinken ze als oude makkers weer bier.
‘Proost’, zegt zijn vriend, ‘op de schoonheid in het leven.’
‘Op de details.’
Tom denkt aan de kleine lettertjes op pakken, zakken en flessen. Hij leest ze nooit.
Met jungletalk over slangen, schorpioenen en vliegend tuig sluiten ze de dag af.
3
Tijdens het lezen van de aankondiging van de zoveelste pandemische persconferentie, denkt Tom terug aan het derde bezoek aan zijn vriend in de tropen. Aan de verhalen van hem over de maatschappij, over de vergelijking met de jungle.

Op een ochtend tijdens zijn verblijf in het tropische park neemt zijn vriend hem mee naar een veldje waar bomen een paar meter van elkaar staan.
Tom krijgt een grote knipschaar in de hand geduwd.
‘Ik zal je nog niet met de echte jungle laten kennismaken’, zegt hij, ‘je bent nog te bang voor slangen en schorpioenen. Je luistert dan niet goed naar wat ik vertel.’
Op de vraag wat hem opvalt aan de boom waar hij voor staat volgt na een korte inspectie een enthousiaste uitroep:
‘Prachtig groen! Schitterende witte bloemen in de top, half verborgen onder de bladeren.’
Glimlachend maakt zijn vriend gebaren van knippen. Rond de boom krioelt het van struikgewas. De stam is moeilijk te zien. Tom wordt aangemoedigd de schaar te gebruiken. Hij ziet ineens een grijsblauwe slinger om de stam draaien. Terwijl hij knipt ruikt hij een vieze lucht. Zijn vriend roept:
‘You are killing your darlings jongen!’
Verbaasd draait Tom zich om.
‘Je hebt zojuist jouw prachtige witte bloemen van daarboven doorgeknipt.’
Tom laat de schaar langzaam zakken. Lachend hoort hij zijn vriend weer over politiek beginnen.
‘Prachtige beloften voor verkiezingen en schitterende vooruitzichten in de toekomst. Je kent toch wel de verstrengelingen? Jungle. Overal.’
Hij wijst naar het struikgewas en vertelt over de actie rond de boom. Over strijd.
‘Vul zelf belangen in jouw jungle maar aan’, zegt hij en kijkt omhoog.
‘Die mooie bloemen laten je in een val trappen! Het is deze parasiet die de boom wurgt. Die stinkende draait zich als een slang rond de stam omhoog. Zoals een touw van een moordenaar om de nek van zijn slachtoffer…….’
‘Ben ik nu die boom of die stinkerd?’, vraagt Tom grappend terwijl hij een van de uitstekende afgeknipte slierten uit de groene massa trekt. Een reactie blijft uit.
‘Later’, hoort hij, ‘als jij weg bent, trek ik de bruin geworden resten van die draaiende killer weg. Dan is die duivelse schoonheid ook verdwenen en de boom bevrijd.’
Tom realiseert zich dat hij te snel met knippen begon. Op een commando. Inplaats van eerst eens goed te kijken waar echt actie nodig is. Hoewel. Voor wie kiest hij? De mooie bloemen of de groene boom?
Zoals altijd luistert Tom braaf naar de tropische lessen van zijn vriend.
‘Voor het grondig uitroeien van die mooie bloemen zul je de tijd moeten nemen. Dat wil zeggen, de wortels vinden.’
Het is duidelijk, zijn vriend kiest voor de boom. Niet voor de verleiding.
Tom loopt energiek naar een volgende boom en gaat met de tang op zoek naar weer een wurger. Bij een boom met gevaarlijke stekels blijft hij staan. De keuze is nu minder moeilijk.
In de groene wirwar ziet hij duidelijk een stam. Volgt een paar keer een spriet die rond de stam draait, maar komt telkens opnieuw bij die stam van de boom uit. Zijn vriend volgt de acties op afstand en begint ineens uitbundig te lachen.
‘Je hebt niet het flauwste idee hoe het in de natuur toegaat!’
Als een klein jongetje kijkt Tom hem beteuterd aan.
‘Sommige parasieten zijn niet achterlijk. Soms zelfs heel slim. Waar jij nu naar kijkt is een vergroeiing. Zuiverheid zul je bij die boom niet vinden. Al die takken lijken op elkaar zoals je gemerkt hebt.’
Tom oppert dat er dan geen probleem is. Een boom met een ideale win – win situatie.
‘Had je gedacht’, klinkt het bestraffend, ‘het duurt even voor je gaat zien waar het met de oorspronkelijke boom heengaat. Helaas, dan ben je alweer vertrokken. Dat wordt dus volgend jaar.’
Maanden later stuurt hij een foto van de eerste boom. Bevrijd! staat op de achterkant. Geen groene kluwen meer, geen schitterende witte bloemen maar een prachtig vrijstaande, gezond ogende boom. Op sommige plaatsen kun je tussen de bladeren door kijken.
Over die andere, de verstrengelde schrijft hij:
‘Op een gegeven moment zag die er niet meer uit. Ik heb hem uit zijn lijden verlost. Die boom hoort meer thuis in de wilde, de echte jungle, wat verderop.’
november 2020

uit:
Lef
roerselen

Ontdek meer van joopbrussee.com
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.